Fonds Cultuurparticipatie
Minister Plasterk heeft met het IPO en de VGN overeenstemming bereikt over de inrichting van het Fonds Cultuurparticipatie. Het fonds beschikt over twee loketten. Eén voor culturele instellingen en één voor provincies en gemeenten. Met de oprichting van het Fonds Cultuurparticipatie geeft de minister uitvoering aan de ambitie van het kabinet om volkscultuur, amateurkunst en cultuureducatie een stevige impuls te geven.
Ten behoeve van iedereen die beleid voor volkscultuur moet maken, zijn hieronder enkele artikelen en lezingen te downloaden.
Congres 12 februari 2009

Op 12 februari 2009 organiseerde het Nederlands Centrum voor Volkscultuur het congres Volkscultuur en Overheidsbeleid. Download hier onder het verslag.
Verslag congres volkscultuurbeleid
| Omschrijving | Grootte | Download | |
| Congres 12 februari 2009 | 326.2 KB | Download > | |
| Volkscultuur magazine 1 2009 | 1.2 MB | Download > |
Artikel over volkscultuur in Binnenlands Bestuur
| Omschrijving | Grootte | Download | |
| Binnenlands bestuur | 1.2 MB | Download > |
Ineke Strouken over wat iedereen moet weten over volkscultuur
De aandacht voor volkscultuur is altijd groot geweest. Niet voor niets ondersteunt het Nederlands Centrum voor Volkscultuur een heel groot veld van mensen en organisaties die zich met aspecten van volkscultuur bezig houden. Maar nu volkscultuur één van de speerpunten van het landelijk cultuurbeleid is, is er veel interesse bij beleidsmakers op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. Ook instellingen in de kunst- en erfgoedsector die niet zo bekend waren met volkscultuur willen weten wat zij met volkscultuur kunnen doen. Reden om weer eens in Volkscultuur Magazine (nummer 2, 2008) op een rijtje te zetten wat volkscultuur is, wie er traditioneel mee bezig zijn, hoe je er mee om kunt gaan en welke kansen er voor volkscultuur de komende jaren liggen.
Download hier het artikel
| Omschrijving | Grootte | Download | |
| VC IS artikel beleid | 153.5 KB | Download > |
Ineke Strouken: hoe te managen een breed volkscultuurveld
Het Nederlands Centrum vor Volkscultuur heeft zijn vaste achterban opgedeeld in vier sectoren:
- volkscultuur
- regionale geschiedenis
- folklore en levende geschiedenis
- volkskunst
Daarnaast zijn er elk jaar in elke gemeente nog ad-hoc werkgroepen actief.
Ineke Strouken schreef een artikel over hoe het Nederlands Centrum voor Volkscultuur zijn grote achterban aanstuurt.
Download hier het artikel
| Omschrijving | Grootte | Download | |
| VC IS artikel veld | 630.3 KB | Download > |
Nicolien van Vroonhoven en Ineke Strouken in gesprek over volkscultuur
In het regeerakkoord wordt het duidelijk benoemd: 'Kunst en cultuur verbinden mensen, laten nieuwe inspirerende perspectieven zien, ontroeren en verwonderen en kunnen ons ook een spiegel voorhouden. Cultuurbeleid draagt bij aan de sociale samenhang en aan vitale economie.' De regering stelt zich daarom ten doel cultuurparticipatie te bevorderen. Speciale aandacht wordt gevraagd voor de volkscultuur.
In de Tweede Kamer heeft CDA-kamerlid Nicolien van Vroonhoven het onderwerp op de agenda gezet. In het veld is Ineke Strouken als directeur van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur al vele jaren actief. In Volkscultuur Magazine, jaargang 3, nummer 1 een interview met beide pleitbezorgers voor volkscultuur.
Download hier het artikel
| Omschrijving | Grootte | Download | |
| VC interview | 153.6 KB | Download > |
Volkscultuur in de arena
Download hier het artikel
| Omschrijving | Grootte | Download | |
| VC in de arena | 328.2 KB | Download > |
Congres Volkscultuur en Overheidsbeleid
Op 12 februari 2009 organiseerde het Nederlands Centrum voor Volkscultuur het congres Volkscultuur en Overheidsbeleid. Hieronder staan de lezingen van:
- Ineke Strouken, directeur Nederlands Centrum voor Volkscultuur
Lezing Ineke Strouken op 12 februari 2009
Volkscultuur en overheidsbeleid
Geachte dames en heren,
Het afgelopen jaar ben ik bij heel veel provincies en gemeenten geweest om uit te leggen wat volkscultuur is. Volkscultuur is zo alledaags dat het nog niet zo gemakkelijk is om er vat op te krijgen en er beleid voor te maken.
Vandaag wil ik ingaan op:
- wat het begrip inhoudt,
- welke termen er mee te maken hebben,
- wie er mee bezig zijn
- en waar je op moet letten als je er beleid voor maakt.
Tot slot wil ik u vertellen over het Jaar van de Tradities, omdat dat een mooie gelegenheid is om een begin te maken met volkscultuurbeleid.
Wat is volkscultuur?
Wat volkscultuur is kun je moeilijk en gemakkelijk uitleggen. Wij gebruiken de definitie:
Volkscultuur is de manier waarop mensen hun dagelijks leven vormgeven. Het zijn de alledaagse dingen, gewoonten en gebruiken, normen en waarden, tradities en rituelen die in ieders leven een rol spelen. Volkscultuur heeft dus te maken met roots en identiteit.
Dat is heel breed. Voor ons is de afbakening:
- het gaat over mensen
- het gaat over context en betekenis
- het gaat over nú, maar wij kijken ook naar de historische dimensie
Bij volkscultuur is altijd sprake van dynamiek en culturele uitwisseling. Want het gaat over gewoonten en gebruiken die steeds weer opnieuw herijkt worden in een veranderende samenleving.
Ik heb net al een aantal termen genoemd die alles met volkscultuur te maken hebben:
- alledaagse cultuur
- tradities en rituelen
- roots
- identiteit
- en wat er ook bij hoort is immaterieel erfgoed
Alledaagse cultuur
Volkscultuur gaat over het alledaagse leven en dus ook over alledaagse dingen die voor iedereen herkenbaar zijn. Dat is ook het mooie van ons vak: iedereen begrijpt het.
Tegenwoordig hoor ik weer mensen zeggen dat wij af moeten van het woord volkscultuur. Ergens begrijp ik dat wel, omdat ik zelf toen ik bij de voorloper van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur kwam werken daar ook over nagedacht heb. Maar er is nog niet zo gemakkelijk een nieuw Nederlands woord voor te bedenken dat de hele lading dekt.
Als wij dan toch van volkscultuur af moeten dan is alledaagse cultuur de beste vervanging.
Tradities en rituelen
Het woord traditie komt van het latijnse woord traditio en het betekent het overhandigen van cultuur van de ene generatie op de andere. Je geeft dingen door aan je kinderen en kleinkinderen. Meestal gebeurt dat onbewust en mondeling.
Tradities zitten in kleine dingen. Meestal zijn het de dingen die als er gevraagd wordt: waarom doe je dat, je antwoordt: ik weet het niet, dat doe ik altijd zo, zo doet iedereen dat, het werd het altijd al gedaan.
Want bij tradities wordt vaak gedacht dat iedereen het zo doet en dat het altijd zo gedaan is. Niets is minder waar: tradities zijn dynamisch. Ze veranderen met de tijd mee en anderen kunnen heel andere tradities hebben.
Een term die met traditie te maken heeft is ritueel. Een ritueel is een traditie maar dan met een plechtig karakter. Van een ritueel ben je je veel meer bewust en vaak worden ze gebruikt bij overgangssituaties: de vlag buiten hangen als je geslaagd bent, kaarsjes uitblazen op een verjaardag, beschuit met muisjes eten bij geboorte, ringen omdoen bij huwelijk, ballonnen oplaten op een begrafenis, maar ook handen schudden of drie keer zoenen bij een begroeting.
Over een traditie of ritueel is altijd een verhaal te vertellen over
- het ontstaan
- de historische ontwikkeling,
- de achtergronden en
- de betekenis
Roots
Ik hoor wel eens zeggen dat tradities iets van vroeger zijn, maar dat klopt niet. Tradities zijn van nú, maar tegelijkertijd hebben ze een wortel in het verleden.
Volkscultuur is dus niet hetzelfde als de geschiedenis van het dagelijks leven. Bij volkscultuur ga je altijd uit van een hedendaags thema, maar je laat daarvan de historische dimensie zien. Het is een andere invalshoek.
Identiteit
Als je kijkt naar de vormgeving van het dagelijks leven, dan kijk je naar levensstijlen. En aan hun levensstijl ontlenen mensen hun identiteit.
Met levenstijlen hangen groepsculturen samen. Vandaar dat wij eigenlijk automatisch uitgaan van culturele diversiteit. Ieder mens neemt immers deel aan meerdere groepsculturen: familie, vrienden, collega’s, straatgenoten.
Wij gebruiken als metafoor vaak het rugzakje.
Iedereen heeft een rugzakje met daarin zijn culturele bagage – de gewoonten en gebruiken, normen en waarden, herinneringen en ervaringen – die hij van thuis uit heeft meegekregen.
Dat rugzakje maken wij geschikt voor ons eigen leven: wij halen er wat uit, wij stoppen er wat in en wij veranderen aan de inhoud.
Wij maken er ons eigen unieke rugzakje van. Wij zetten met andere woorden de volkscultuur van onze ouders naar eigen hand.
Met de inhoud van dat rugzakje houdt volkscultuur zich bezig.
Immaterieel erfgoed
Tegenwoordig hoor je ook vaak spreken over immaterieel erfgoed.
Tot voor kort verstonden wij onder erfgoed vooral de materiele sporen uit het verleden - monumenten, archiefstukken en museumvoorwerpen. Na de conventie van Unesco in 2003 staat ook het immaterieel erfgoed in de belangstelling.
Ik zelf vind de tegenstelling tussen materiele en immateriële cultuur een kunstmatige. Immers gewoonten en gebruiken uiten zich ook in voorwerpen. Bij koffiedrinken hoort ook het koffiekopje en het senseoapparaat. Maar bij volkscultuur is het verhaal van de betekenis en context van het koffie drinken belangrijker dan het kopje of het koffiezetapparaat. Zelf gebruik ik liever de term levend erfgoed.
Onder het immaterieel erfgoed verstaan wij het dynamische spectrum van rituele gewoonten en gebruiken, de feesten en vieringen, de orale cultuur, de verhalen en liederen, de ambachtelijke vaardigheden die wij waard vinden om te bewaren of door te geven aan volgende generaties.
De discussie hoe je dat doet – een ritueel als beschuit met muisjes kun je niet zomaar in een museum of archief zetten – wordt momenteel (ook internationaal) gevoerd.
Waarom is er zoveel belangstelling voor volkscultuur?
1. Wij leven in een snel veranderende tijd.
Onze samenleving is in nog geen halve eeuw totaal veranderd.
De invloeden van buitenaf, de technologie, en de komst van mensen met een andere culturele achtergrond hebben in een korte tijd voor een hele andere maatschappij gezorgd.
Als de veranderingen heel langzaam gaan en iedereen doet ongeveer hetzelfde, dan zul je je niet afvragen, waarom je doet zoals je doet. Dan denk je niet na over die alledaagse tradities. Maar tegenwoordig doen wij veel dingen waar wij niet meer van weten waarom wij het doen. Waar wij het verhaal niet meer van kennen. Vandaar dat wij ook altijd veel vragen moeten beantwoorden over de achtergronden van tradities.
Wij kennen het verhaal van onze eigen tradities dikwijls niet meer, laat staan het verhaal van de gebruiken in andere culturen kennen.
En dat terwijl kennis over de achtergronden van de tradities van jezelf en van de mensen waarmee je samenleeft heel belangrijk is om elkaar te begrijpen.
2. Volkscultuur is van iedereen.
De tweede ontwikkeling is dat wij het belangrijk vinden dat mensen de benodigde basiskennis hebben om te kunnen functioneren als volwaardig cultureel burger. Daarbij moeten ook groepen bereikt worden, die niet zo gemakkelijk bij kunst en cultuur te betrekken zijn.
Volkscultuur is daarvoor een ideale invalshoek. Immers het gaat over onderwerpen die iedereen herkent en waarvoor iedereen belangstelling heeft.
Met volkscultuur kun je de culturele verschillen en overeenkomsten duidelijk maken. Ik ben er van overtuigd dat inzicht in en kennis van de verschillende volkscultuur uitingen begrip en respect kweken voor mensen die dingen anders doen.
Want het lijkt bij tradities dat het altijd zo was en dat iedereen het zo doet, maar als je uitlegt en ook verklaart waarom sommige mensen het anders doen, dan begrijp je elkaar veel beter.
Volkscultuur sluit op deze manier niet uit, maar kweekt juist begrip en respect.
Juist de persoonlijke verhalen over alledaagse rituelen zijn een middel om elkaar te begrijpen en te ontmoeten. Dat is ook de reden waarom wij het Jaar van de Tradities georganiseerd hebben.
Wie is er met volkscultuur bezig?
Eigenlijk iedereen. En dat is voor beleidsmakers ingewikkeld. Want de eerste vraag die u mij gaat stellen is: wij kunnen toch niet iedere carnavalsvereniging of sinterklaasoptocht gaan subsidiëren. Nee natuurlijk niet: maar daar kom ik nog op terug.
Binnen die algemene interesse zijn er een aantal zeer geïnteresseerde groepen:
- pers
- onderwijs
- organisaties die met rituelen bezig zijn: vroedvrouwen, ambtenaren van de burgerlijke stand, uitvaartondernemers, geloofsgenootschappen
- en wat wij noemen de levende volkscultuur: oranjeverenigingen, elfstedentocht, kermissen, sint maarten zingen
Daarnaast hebben wij een vaste achterban die wij onderverdeeld hebben in vier sectoren:
- volkscultuur: dat zijn de mensen en organisaties die onderzoek naar aspecten van het dagelijks leven
- regionale cultuur en geschiedenis: hierbij ligt de nadruk op de streek
- levende geschiedenis en folklore: het naspelen van aspecten van het dagelijks leven van vroeger (heel populaire discipline)
- volkskunst en ambachten: kunst beoefend vanuit een traditie en/of beoefend als erfgoedkunst
Grofweg bestuderen de eerste twee sectoren volkscultuur, en beoefenen de laatste twee sectoren het. Veel van deze organisaties ontvangen geen of weinig subsidie.
Eén van de sterke punten van volkscultuur is dat er in elke gemeente één of meerdere organisaties of werkgroepen geïnteresseerd zijn. Daarom kunnen wij in onze themajaren ook zoveel lokaal draagvlak creëren.
Nadeel is dat het een heel groot en breed veld is.
En dat er heel veel spannende ad-hoc dingen georganiseerd worden, die eigenlijk heel erg de moeite waard zijn.
Het Nederlands Centrum voor Volkscultuur ondersteunt die organisaties en initiatieven onder andere door mee te denken en advies te geven, maar vooral ook door dingen aan elkaar te koppelen.
Ik wou hier niet precies in gaan op wat het Nederlands Centrum voor Volkscultuur doet (heel veel) maar kortweg hebben wij drie kerntaken:
- het zichtbaar en toegankelijk maken van volkscultuur
(het inventariseren belangrijke tradities en hun verhalen)
- geven van voorlichting
(educatie en pers)
- ondersteunen van het veld
(studiedagen, uitgeven van een vakblad en een nieuwsmagazine en een handboek voor fondsenwerving)
Op landelijk niveau werken wij samen met het Meertens Instituut, het wetenschappelijk onderzoeksinstituut dat zich bezig houdt met de bestudering en documentatie van de Nederlandse taal en cultuur.
Beleid voor volkscultuur
Het Kabinet heeft in het regeerakkoord de ambitie uitgesproken om onder andere volkscultuur te stimuleren. Deze ambitie is neergelegd in Kunst van leven.
Eén van de resultaten is de oprichting van een nieuw Fonds voor Cultuurparticipatie.
Er liggen dus kansen voor organisaties die zich met volkscultuur bezig (willen) houden. Maar het biedt provincies en gemeenten ook de mogelijkheid om concreet een bijdrage te leveren aan het cultureel burgerschap, de sociale cohesie en de lokale identiteit.
Volkscultuur is voor de overheid een nieuw beleidsterrein. Daarom zal het in de komende jaren een proces van richting zoeken zijn.
Ik heb de vraag net al aangestipt die wij veel krijgen: moeten wij dan allerzielen, dierendag of 1 april gaan subsidiëren? Daar is geen beginnen aan. Dat ben ik met u eens.
Maar laten wij bij het begin beginnen.
Wat moet er gebeuren om van volkscultuur een sterke sector te maken, net als amateurkunst?
- Kennis opbouwen
- Infrastructuur versterken
- Samenwerking stimuleren
- Participatie bevorderen
- Innovatieve presentatievormen stimuleren
Allereerst is het met de kennis over regionale en lokale gebruiken slecht gesteld. Wil je weten wat er in een provincie of gemeente gangbaar is, dan zul je op internet maar weinig vinden. Of soms heel eenzijdige informatie krijgen, bijvoorbeeld alleen de traditionele streekgebonden gebruiken.
Kennis vergaren en toegankelijk maken is daarom een eerste vereiste. Een taak ligt hier ook bij de historische verenigingen, musea en archieven.
Op het einde van het Jaar van de Tradities hopen wij daar een eind mee op weg te zijn.
Daarmee hangt samen het versterken van de infrastructuur. Met name de organisaties waarbij veel vrijwilligers betrokken zijn – ik denk bijvoorbeeld aan de historische verenigingen, maar ook aan de levende geschiedenisgroepen en de organisaties die een ambacht of erfgoedkunst beoefenen – zouden de gelegenheid moeten krijgen om te professionaliseren. En dan denk ik eigenlijk aan vaardigheden buiten het vakgebied: bedrijfsvoering, bereiken van publiek, samenwerking met toerisme, maar ook ‘hoe bereik ik een doelgroep’.
Vaak wordt er in ons veld niet verder gekeken dan het eigen straatje. In het Jaar van de Tradities stimuleren wij dat ze gaan samenwerken en dan niet alleen met andere cultuur- of erfgoedorganisaties, maar ook met kunstinstellingen, bibliotheken en vooral ook met informele netwerken (van nieuwe Nederlanders bijvoorbeeld).
Volkscultuur is bij uitstek geschikt om cultuurparticipatie te bevorderen. Omdat het gaat om alledaagse dingen kun je er makkelijk mensen voor interesseren en bij betrekken. Bovendien kun je er over lezen, je kunt er onderzoek naar doen en je kunt het actief beoefenen. Maar er moet wel geïnvesteerd worden in binnen- en buitenschoolse overdracht.
Een voordeel is dat je volkscultuurprojecten kunt brengen op plekken waar iedereen komt: markt, supermarkt, dokter en ziekenhuis, gemeentehuis, kerk, bibliotheek en museum, maar ook gewoon in een café, in de voortuin van particulieren of op de kermis. Ik hoop op veel experimenten hiermee.
Zelf vind ik dat innovatieve presentatievormen en cross-overs een kans moeten krijgen. Een project moet verrassen en prikkelen. Hier kan de samenwerking met kunstenaars heel bevruchtend werken.
Welke kriteria zou je kunnen hanteren bij het toekennen van subsidies?
Volkscultuurprojecten moeten
- gebaseerd zijn op gedegen kennis
- een bepaalde doelgroep bereiken
- een verrassende samenwerking in zich hebben
- een originele uitwerking hebben
- en het liefst een langer termijn resultaat hebben
Een project moet zich goed georiënteerd hebben in het aspect van volkscultuur dat het wil vertellen. Er moet voldoende kennis aanwezig zijn. Duimzuigerij zet mensen op het verkeerde been.
Er moet goed nagedacht zijn over welke doelgroep men wil bereiken. En wat voor resultaat een project moet hebben.
In het project moet worden samengewerkt met andere organisaties. Verrassende cross-overs moeten beloond worden.
Het verhaal van die tradities moet op een originele manier verteld worden.
Als het kan op een bijzondere plek.
Het liefst moet het project een lange termijn resultaat hebben.
Jaar van de Tradities
Ik denk dat het Jaar van de Tradities u zal helpen om al een begin te maken. Dit jaar willen wij gebruiken om de rijkdom aan tradities in Nederland te laten zien en om de achtergrondverhalen ervan te vertellen.
Wij doen dat op landelijk niveau, maar vooral ook op lokaal niveau.
Wij stimuleren onze achterban, maar ook andere groepen geïnteresseerden om:
- na te denken over de eigen tradities
- op zoek te gaan naar de tradities in de omgeving
- de verhalen van die tradities aan elkaar te vertellen
Er doen heel veel verschillende deelnemers mee, dus zeker niet alleen onze achterban of de erfgoed instellingen.
Wij koppelen zoveel mogelijk initiatieven aan elkaar. Niet alleen lokaal, maar ook regionaal en landelijk.
Daarbij stimuleren wij een aantal initiatieven om net iets verder te gaan, er net iets meer van te maken.
Daarnaast betrekken wij de burgemeester en lokale media er bij.
Op deze manier hopen wij dat dit jaar heel veel mensen met volkscultuur bezig zijn en hopen wij ook een goede stimulans te geven aan volkscultuurbeoefening.
Ineke Strouken is directeur van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur
Lezing Jan Jaap Knol op 12 februari 2009
Dames en heren,
In mijn inleiding wil ik u een indruk geven van de plaats die het Fonds voor Cultuurparticipatie de komende tijd wil geven aan volkscultuur. Ik zeg met opzet ´indruk´, het beleidsprogramma is nog niet vastgesteld. Wat verstaan we eigenlijk onder volkscultuur? En wat is – of wordt - de rol van de overheid – en in het verlengde – die van een overheidsfonds hierbij? Dat zijn vragen die ik de afgelopen tijd vaak gesteld kreeg. En op gemeentelijk en provinciaal niveau staat u voor dezelfde vragen. De speurtocht naar antwoorden is nog niet voltooid. Deze dag van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur is dan ook meer dan welkom. Om niet verdwaald te raken in een doolhof vol vage bedoelingen, zoek ik in eerste aanleg mijn houvast bij de wetenschap.
'Wie hetzelfde anders zegt, zegt iets anders'. Zo luidde de titel van de inaugurele rede waarmee de vorige spreker, Hans Bennis, in 2001 zijn ambt aanvaardde als bijzonder hoogleraar Taalvariatie aan de Universiteit van Amsterdam. Aan het begin van zijn oratie staat Bennis stil bij de toekomst van het Nederlands. Dat heeft te maken met het oprukkende Engels enerzijds en anderzijds een opleving van dialecten en streektalen, zoals bijvoorbeeld het Zeeuws. Tegen deze achtergrond gaat Hans Bennis in op twee principes in de taalbeschouwing. Het eerste principe luidt: 'taal is communicatie'. De absolute toepassing van dit communicatie-principe zou leiden tot het verdwijnen van talen. Het tweede principe luidt 'taal is identiteit'. Volgens dit principe spreken Limburgers niet zozeer hun eigen dialect omdat dat zo handig is in de communicatie, maar omdat ze zich daarmee voorzien van een identiteit. De sociale dimensie van taal – aldus Bennis – bestaat uit twee tegenover elkaar gestelde krachten: uniformiteit tegenover diversiteit. Citaat: 'Hoe sterker de convergerende kracht zich manifesteert, hoe duidelijker de tegenkracht zich zal ontwikkelen'.
Zouden we naar analogie van deze taalprincipes ook kunnen verklaren waarom juist in deze tijd volkscultuur een vooraanstaande plaats krijgt in het cultuurbeleid? Natuurlijk is volkscultuur geen nieuw fenomeen. Al tientallen jaren werken het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, maar ook het Meertens Instituut, het Nederlands Openlucht Museum en het Zuiderzeemuseum aan de bestudering van volkscultuur en het vergroten van de publieke belangstelling hiervoor. En in 2003 nam de UNESCO de conventie ter bescherming van het immaterieel erfgoed aan. Maar pas nú verschijnt het onderwerp écht op de landelijke cultuurpolitieke agenda. En dat vraagt om een beschouwing.
De tegenover elkaar gestelde krachten, uniformiteit tegenover diversiteit, ondervinden we allemaal in ons dagelijks leven. Neem een eenvoudig verschijnsel als het aanbod in de winkels. Veel mensen klagen dat winkelcentra steeds meer op elkaar gaan lijken, maar de diversiteit aan producten neemt alleen maar toe. Als alternatief voor bekende massafabricaten verschijnt overal het streekproduct: Friese dumkes, Groninger koek, maar ook de olijfolie die we zelf meenemen uit Toscane. De opmars van het streekproduct lijkt onstuitbaar en leidt zelfs tot allerlei vormen van ´invention of tradition`. In het Noord-Hollandse Diemen koopt u bijvoorbeeld het Diemer Diep, een speciaal bier dat speciaal voor Diemen in België gebrouwen wordt. De slijter maakt er op zijn website geen geheim van. In Belgisch Limburg is sinds kort het Maaslands kruidenzout te koop. De naam wekt de geur en warmte op van ambachtelijke keukens waar nog strikt gekookt wordt volgens grootmoeders wet. Maar in de NRC van afgelopen vrijdag was te lezen hoe het de autoriteiten in de hoofdstad Hasselt domweg aan een toeristisch streekproduct ontbrak. Het Maaslands kruidenzout komt in werkelijkheid uit Rotterdam. De krant citeert een enthousiaste woordvoerder: 'Het mooie van dit product is dat de Maas door drie landen stroomt. Je kunt het dus ook in Frankrijk als streekproduct aanbieden'. Dames en heren, we leven in verwarrende tijden. In de zoektocht naar authenticiteit en identiteit worden soms vreemde manoeuvres uitgehaald.
De enorme populariteit van regionale soaps is ook bijzonder. Honderdduizenden mensen smullen van de verhalen in de streektaal,tot hen gebracht via het format van de sitcom, exportproduct bij uitstek van representanten van de globalisering, de Amerikaanse televisiemaatschappijen. Uit de botsing van uniformiteit en diversiteit komen dus ook mooie zaken voort.
In plaats van voorbeelden uit de warenindustrie of media had ik met mijn beschouwing over de opkomst van volkscultuur ook meteen grote woorden kunnen laten vallen. Over hoe de globalisering regionalisering als tegenkracht heeft. Over de ontkerkelijking en de simultane opkomst van een diversiteit aan levensbeschouwingen. Over de individualisering die sociale verbanden onder druk zet, maar op Hyves en linkedin.com nieuwe communities doet bloeien. En over hoe in Nederland al weer bijna tien jaar een hoogst verwarrend debat wordt gevoerd over de vraag of allochtonen zich nu moeten aanpassen aan ‘onze’ norm of misschien ook nog recht hebben op hún diversiteit. Het is geen toeval dat in deze verwarrende tijden volkscultuur op de agenda verschijnt. Het appelleert aan identiteit, aan worteling, aan gevoel voor samenhang en traditie in een tijd die dat allemaal hard nodig heeft. En gelukkig is het niet alleen de commercie die met deze behoefte aan de loop gaat. Honderdduizenden mensen beleven veel plezier aan volkscultuur. Het is een rijk domein, waarbinnen zich prachtige tradities, geweldige verhalen, uitbundige feesten en bijzondere gebruiken bevinden.
Wie het begrip volkscultuur in de cultuurpolitiek gebruikt, ontkomt - zeker op dit moment - niet aan een positiebepaling in discussies over identiteit en integratie. Volkscultuur is niet meer enkel het object van wetenschappelijk onderzoek. Het is ook niet meer het interessegebied van grote groepen enthousiaste liefhebbers. Het is onderwerp geworden in de cultuurpolitiek en dat vraagt om stellingname. Zo´n positiebepaling is ook noodzakelijk, gelet op het besmette verleden van de term volkskunst in de nationaal-socialistische cultuurpolitiek.
Ik haalde zojuist Hans Bennis aan: 'Hoe sterker de convergerende kracht zich manifesteert, hoe duidelijker de tegenkracht zich zal ontwikkelen'. Hans Bennis zegt er nog iets achteraan: 'Een levende, dynamische taal bevindt zich (….) in een evenwichtssituatie waarin de divergerende kracht en convergerende kracht elkaar als het ware opheffen.' Is dat ook een sleutelzin voor onze omgang met volkscultuur? In die zin dat een levende, dynamische volkscultuur in Nederland alleen kan bestaan wanneer dat wat wij gemeenschappelijk hebben met elkaar, zich tegelijk goed verhoudt tot de ruimte die we bieden aan verschillen. Gemeenschappelijk is bijvoorbeeld het gebruik van het Nederlands als standaardtaal, noodzakelijk om volledig deel te kunnen nemen aan de samenleving en inmiddels ook de moedertaal van duizenden mensen die we in beleidstaal nog omzichtig aanduiden als nieuwe Nederlanders, maar die hier gewoon geboren en getogen zijn. Maar ruimte voor verschillen is óók nodig en als er waardering is voor streekdialecten, mag er ook ruimte zijn voor straattaal in de Bijlmer.
Volkscultuur is - aldus het Nederlands Centrum voor Volkscultuur -belangrijk cultureel erfgoed waarin de identiteit van een samenleving zichtbaar is. Die identiteit is – zeker anno 2009 – geen simpele opsomming meer van eigenschappen, maar een gelaagd en complex begrip. Volkscultuur anno 2009 betekent geen uitsluiting van bevolkingsgroepen. Volkscultuur maakt de beleving mogelijk van ieders identiteit. Het is voor mij geen dictaat van uniformiteit, maar juist een blijk van de maatschappelijke erkenning voor diversiteit, precies zoals Hans Bennis waardering voor taalvariatie in dialecten heeft bepleit.
Met dat respect voor diversiteit in ons achterhoofd ligt er vervolgens een prachtig terrein open. Volkscultuur is niet alleen de cultuur van alledag, maar ook die van alle tijd en die van alleman. Voor de volkscultuur tellen alle cultuuruitingen mee. Iedereen, ongeacht opleiding of herkomst, kan er aan deelnemen. En ieder heeft zijn eigen verhaal. In de Volkskrant – nomen est omen – van afgelopen zaterdag stond een prachtig verhaal van Willem Vissers. In Limburg fuseren binnenkort de voetbalclubs Roda JC en Fortuna. Willem Vissers – trouwe fan van geel-groen – haalt herinneringen aan de club uit Sittard op. Hij vertelt met weemoed hoe zijn moeder met Carnaval een clownspak naaide, een overhemd met – natuurlijk - een geel en groen pand. 'Wat waren we trots', staat er boven het artikel. Trots is een woord dat we vaker ontmoeten in de volkscultuur. `Trots over kuiven en kraplappen`, is bijvoorbeeld de titel van de actuele expositie in de Melkweggalerie, met portretten van de kunstenaars Bert Verhoeff en Hannes Wallrafen van vrouwen uit Spakenburg die nog in klederdracht lopen. En precies ‘trots’ is ook het woord dat Boudewijn Sittrop van het Landelijk Overleg Minderheden, het LOM, gebruikt in het laatste nummer van het Volkscultuur Magazine als hij spreekt over de levensverhalen van migranten die naar Nederland kwamen.
Al in 2000, in de bundel Volkscultuur, signaleert Ton Dekker dat de belangstelling voor de cultuur van het dagelijks leven alleen maar toeneemt. Ook kunstenaars geven daar al blijk van. Niet alleen doordat ze de volkscultuur object maken van hun werk, maar ook doordat ze teruggrepen naar traditionele materialen als keramiek en textiel.
Waar wetenschappers, liefhebbers en kunstenaars zich al langer verhielden tot het begrip volkscultuur, konden en mochten beleidsmakers en politici niet achterblijven. Terecht signaleert het Nederlands Centrum voor Volkscultuur dat zowel beleidsmakers als instellingen in de kunst- en erfgoedsector zich afvragen wat ze met volkscultuur kunnen doen. Daarmee kom ik bij het Fonds voor Cultuurparticipatie. Binnen het fonds hebben we inmiddels ervaring opgedaan met de invulling die gemeenten en provincies er aan geven. De programma´s cultuurparticipatie die ze hebben opgesteld laten een grote variëteit aan activiteiten zien. We zien projecten die gericht zijn op de streekgeschiedenis, bijvoorbeeld de culturele biografie van het gebied binnen de West-Friese omringdijk in Noord-Holland. We komen veel aandacht voor oral history tegen, zoals in Flevoland – eigenlijk een provincie vol migranten – waar scholieren hun ouders en grootouders gaan interviewen over de komst naar het nieuwe land. Het LOM deed iets vergelijkbaars met Marokkaanse jongeren in het project Culturele Spoorzoekers. We komen projecten tegen waarin met gebruik van community arts de recente veranderingen in een buurt worden verbeeld, maar we zien ook een meer structurele aanpak zoals in Gelderland waar een servicepunt volkscultuur wordt ingericht. Als ik het geheel overzie, dan rijst het beeld op van een experimentele, zich ontwikkelende beleidspraktijk. De klippen van nationalisme worden vermeden.
En er ontstaat ook geen overbodige subsidiepraktijk. Sinterklaas komt straks nog steeds op eigen kosten naar Nederland.
Volkscultuur groeit en bloeit - gelukkig - grotendeels op eigen kracht. Daar moet overheden en fondsen niet te veel in willen regelen. De bijdrage van de overheid zit wat mij betreft ook niet in de ´invention´ van nieuwe tradities á la het Maaslandse keukenzout. Ik kan eerlijk gezegd wel uit de voeten met de nadruk die Ineke Strouken van het Nederlands Centrum van Volkscultuur legt op het faciliteren, ondersteunen en voorwaarden scheppen. Het is opvallend dat we in Nederland bijvoorbeeld wel beschikken over een uitgebreide praktijk van ondersteuning voor amateurkunstenaars, maar dat voorzieningen voor streekhistorici, amateurgenealogen en historische verenigingen – zeker in verhouding tot de maatschappelijke belangstelling - minder ontwikkeld zijn. De komst van het Fonds voor Cultuurparticipatie lost dit niet in één keer op, maar het fonds zou graag in overleg met de archiefwereld en de provinciale erfgoedhuizen een bijdrage leveren aan meer samenwerking tussen professionals en liefhebbers en aan de ontwikkeling van nieuwe methodieken om bijvoorbeeld verhalen te documenteren en te ontsluiten.
Het verrichten van promotie lijkt me evenzeer relevant. Wie anderhalf jaar debat over volkscultuur overziet, beseft dat er nog wel wat moet gebeuren. Mensen die niet vertrouwd zijn met het begrip, komen nog steeds niet verder dan associaties met de klompendans, in Nederland inmiddels toch een vrij exotisch fenomeen. Interessant is soms het perspectief van de spreker die – onbedoeld - veel prijsgeeft van zijn inschattingen over hoge en lage cultuur. Maar de bijdrage van de zogenaamde lage cultuur, de fanfare, het dorpsfeest of de burenplicht, aan sociale cohesie in dorp of wijk is groot. Het is belangrijk die bindende kracht van volkscultuur meer zichtbaar te maken.
In het verlengde van het bieden van praktische mogelijkheden voor nieuwe projecten en promotie zie ik een derde, belangrijke opgave. Nederland blijft hopelijk niet nog tien jaar hangen in een op schelle toon gevoerd integratiedebat. Volkscultuur is de cultuur van alle dag, van alle tijd en van alle man. Wanneer we in het cultuurbeleid tot op het niveau van schoolplein, dorpshuis of de straat iets meer waardering schenken aan de cultuur van het dagelijks leven, dan leveren we al een belangrijke bijdrage aan het samenleven in dit land. Die aandacht hoeft helemaal niet altijd uit subsidie te bestaan. Het begint bij respect voor de beleving van ieders identiteit, het gaat verder in nieuwsgierigheid naar de tradities van een ander, het eindigt hopelijk in begrip. De sleutel is niet alleen gelegen in meer documentatie en onderzoek naar erfgoed of archieven, in nieuwe methodieken of innovatieve projecten, maar ook in gemeenschappelijke activiteiten van gewone mensen. Een beetje geld voor volkscultuur, zeker in verhouding tot de grote subsidies voor de topcultuur, mag die zaak wel kosten.
Aan het begin van mijn inleiding sprak ik over een speurtocht. Die is nog niet voltooid. Samen met het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, het Meertens Instituut, Erfgoed Nederland en de Mondriaan Stichting zal het Fonds in de loop van dit jaar een essaybundel uitgeven, waarna nog een symposium volgt. Het onderwerp volkscultuur roept voor dit moment meer vragen op dan dat er antwoorden zijn. Ik vind dat eerlijk gezegd nog even niet zo erg. Want vlotte antwoorden op moeilijke vragen hebben we de laatste tijd soms iets te vaak gehoord.
Jan Jaap Knol is directeur van het Fonds voor Cultuurparticipatie
Lezing Hans Bennis op 12 februari 2009
Een wetenschappelijke benadering van volkscultuur
Vanochtend zat ik in de trein het gratis dagblad SP!TS (12-2-2009) te lezen, met een dagelijkse oplage van rond de 500.000 exemplaren één van de grootste en meest gelezen kranten van Nederland. De voorpagina was geheel gevuld met volkscultuur. Aan de linkerzijde twee dames uitgedost in modieuze en sexy carnavalskledij; de een verkleed als een verleidelijke duivel, de ander als een lieftallige engel. Aan de rechterzijde een artikel over gedwongen huwelijken bij nieuwe Nederlanders en de vraag hoe onze samenleving op dit verschijnsel moet reageren. Toen ik station Utrecht aan de Jaarbeurszijde verliet stond onderaan de roltrap een draaiorgel dat een bewerking van een bekend nummer van Marco Borsato ten gehore bracht. Voor mij liep een modern gekleed meisje met een hoofddoek dat een munt deponeerde in het koperen bakje van de orgeldraaier. Kortom, volkscultuur is overal; niet zozeer op afgelegen plekken, in musea of op braderieën, maar prominent aanwezig in het dagelijks leven in onze samenleving.
Vanuit dat perspectief bezien is het op het eerste gezicht wonderlijk dat de overheid via een brief van minister Ronald Plasterk, gedateerd op 15 april 2008, beleid ontwikkelt om iedere Nederlander daadwerkelijk actief in aanraking te brengen met volkscultuur. Waarom is het noodzakelijk om een Programmafonds Cultuur-participatie op te richten dat naast amateurkunst en cultuureducatie ook volkscultuur beoogt te ondersteunen? Er is immers geen tekort aan aandacht voor volkscultuur en het is vrijwel onmogelijk om niet voortdurend met volkscultuur in contact te komen. De vraag ontstaat daarom of het begrip volkscultuur wel door verschillende groepen op dezelfde manier wordt geïnterpreteerd.
In het algemeen wordt volkscultuur gezien als het beoefenen van traditionele rituelen, vooral van die ambachten, feesten of gebruiken die verloren dreigen te gaan. In een recent debat (december 2007) in de Tweede Kamer lokte dit onderwerp dan ook direct grote vrolijkheid uit, waarbij men verwees naar kantklossen, klootschieten, midwinterhoornblazen of het borduren van merklappen door Nicolien van Vroonhoven. Een stuk uit een verslag van dit debat (bron de Volkskrant, www.kunstsubsidiedebat.nl):
Moeten het klootschieten, het midwinterhoornblazen en allerlei bijzondere ambachten – tezamen de ‘volkscultuur’ – voortaan worden gesubsidieerd? CDA-Kamerlid Van Vroonhoven vindt dat dit immateriële erfgoed niet serieus genoeg kan worden genomen. Haar pleidooi leidde tot enige hilariteit onder haar collega’s, zeker toen ze vertelde dat ze zelf ’s avonds zo nu en dan veel plezier beleeft aan het borduren van merklappen. ‘Moeten we van rijkswege het kantklossen gaan stimuleren?’, vroeg Boris van der Ham (D66) zich af.
Gelukkig heeft de overheid zich in het vervolg van dit debat en voorafgaand aan de bovengenoemde brief van de minister adequaat laten informeren over de manier waarop men het begrip 'volkscultuur' zou moeten interpreteren. Het doet mij genoegen te kunnen zeggen dat het ministerie hier niet zelf een definitie heeft zitten verzinnen, maar de vraag heeft neergelegd bij het Meertens Instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Aangezien het Meertens Instituut als doelstelling heeft om volkscultuur te bestuderen vanuit een wetenschappelijk perspectief, is de definitie die tenslotte in de 'Bestuurlijke afspraken OCW, IPO en VNG over het Programmafonds Cultuurparticipatie' terecht gekomen is, een definitie die correspondeert met de manier waarop men vanuit de wetenschap volkscultuur benadert. De definitie die in deze 'Bestuurlijke afspraken' – bijlage bij de brief van Plasterk van 15 april 2008 – staat, luidt:
Volkscultuur is het geheel van cultuuruitingen die als wezenlijk worden ervaren voor specifieke groepen, steeds onder verwijzing naar traditie, verleden en nationale, regionale of lokale identiteiten.
Daar wordt nog aan toegevoegd: 'Omdat elke generatie haar eigen keuzes maakt, is volkscultuur een dynamisch fenomeen'.
Het interessante van deze brede definitie van volkscultuur is dat die zowel kantklossen en merklappen omvat als hiphop en graffiti. Het gaat ook niet zonder meer over positief te waarderen verschijnselen maar over die vormen van cultuur die door groepen worden ingezet om hun eigen identiteit(en) vorm te geven. Daar vallen net zo goed gedwongen huwelijken of meisjesbesnijdenis onder of het roepen van leuzen over joden in de Amsterdam Arena.
Laat ik de definitie verder toelichten met een paar voorbeelden van onderwerpen die recent bestudeerd zijn binnen de wetenschappelijke context van de volkskunde of Nederlandse etnologie aan het Meertens Instituut.
We bevinden ons hier vandaag in het Geldmuseum, direct tegenover de Utrechtse wijk Lombok. Aan de overkant van de Leidse Vaart bevindt zich een wijk die al geruime tijd wordt gekenmerkt door zijn multiculturele samenstelling. Hier speelt de vraag niet of er wel sprake zou zijn van een multiculturele samenleving. Die vraag leeft vooral in Den Haag en in het (niet zo heel erg) intellectuele debat. Hier ís de samenleving multicultureel. Wij hebben in deze wijk enkele jaren met een team onderzoekers rondgelopen om te proberen te begrijpen hoe de verschillende bevolkingsgroepen met elkaar omgaan in het publieke domein op het gebied van hun volkscultureel en talig gedrag. Het doel daarvan was om een beter zicht te krijgen op de culturele processen die plaats vinden in een dergelijke complexe omgeving.
Welke taal spreekt een in Nederland geboren jongen wiens ouders afkomstig zijn uit Turkije of Marokko met wijkbewoners die een andere talige achtergrond hebben? Maar ook: Koopt een Turkse vrouw haar brood bij een Marokkaanse bakker? Wie koopt zijn vlees bij de paardenslager in de Kanaalstraat? Wat voor spelletjes spelen kinderen op het schoolplein? Wat voor moppen vertellen verschillende culturele groepen tijdens het wijkfestival Salaam Lombok? Hoe vieren de mensen hun feesten? De centrale vraag was: Hoe heeft de complexe maatschappelijke situatie invloed op de culturele identiteit van verschillende groepen? Het huidige debat over integratie wordt vooral gevoed door opvattingen over en veel minder door kennis van en inzicht in de multiculturele situatie. Juist door het bestuderen van volkscultuur wordt duidelijk op welke wijze groepen in de samenleving functioneren. Door een relatief plezierige multiculturele wijk te onderzoeken, hoopten we te kunnen begrijpen welke factoren van invloed zijn op een betrekkelijk probleemloze samenleving van groepen van verschillende afkomst; en daarmee dus een bijdrage te leveren aan een actueel debat op basis van de wetenschappelijke bestudering van volkscultuur.
Maar natuurlijk gaat een wetenschappelijke benadering van volkscultuut niet alleen over nieuwe Nederlanders. Een mooi thema dat in het huidige onderzoek aan de orde is, betreft de veranderingen in ritueel gedrag bij overlijden. De zeer publieke begrafenissen van André Hazes of Pim Fortuyn gaven al aan dat de beleving van dood en rouw een andere dimensie heeft gekregen. Wij hebben daarom voor het onderzoek naar de nieuwe, openbare rol van rouwbeleving onder andere de brieven en kaarten laten opgraven uit het schijngraf van Pim Fortuyn op de begraafplaats Driehuis-Westerveld. Er is onderzoek gedaan naar het verschijnsel van stille tochten, die nu vrijwel noodzakelijk lijken om op gepaste wijze afscheid te nemen bij een geweldadige dood van een geliefd persoon. Bij auto-ongelukken plaatsen mensen zelfgemaakte bermmonumenten en mensen gaan op zoek naar het graf van hun idolen om daar eer te betuigen aan hun held. Begrafenissen zijn zo langzamerhand creatieve en soms zelfs feestelijke evenementen geworden waarbij men zich wil onderscheiden. We zien dat de manier waarop Nederlanders omgaan met dood en rouw in de afgelopen decennia aanzienlijk is veranderd, vooral in de richting van publiek gedrag. Een beter begrip van deze verandering en de context waarin die plaats vindt, zorgt voor inzicht in de manier waarop groepen hun identiteit vorm geven en daarmee in de rol van alledaagse cultuur in onze samenleving.
Andere zaken die op de onderzoeksagenda van het Meertens Instituut zijn geplaatst zijn bijvoorbeeld de veranderingen die we hebben kunnen waarnemen in de figuur van Sinterklaas (waar zijn de roe en de daarbij horende zak gebleven? hoe gaan wij om met de politiek incorrecte persoon van Zwarte Piet?) of het verschijnsel van graancirkels. Deze moderne, wetenschappelijke benadering van volkscultuur wordt uitgewerkt in het boek Reframing Dutch Culture; Between Otherness and Authenticity geredigeerd door Peter Jan Margry en Herman Roodenburg.
De Nederlandse samenleving is in vrij korte tijd radicaal veranderd, onder meer in politiek, sociaal en etnisch opzicht. Het bestuderen van volkscultuur draagt bij aan het begrijpen van de culturele processen die met deze veranderingen corresponderen. Daarom is het voor zowel de wetenschap als de samenleving van belang dat volkscultuur bestudeerd wordt vanuit de eerder genoemde brede definitie.
We kunnen nu terugkeren naar de vraag die vandaag tijdens dit congres centraal staat: wat zou de rol van de overheid moeten zijn ten aanzien van volkscultuur? Daarbij geeft de brief van Plasterk interessante aanwijzingen. Het gaat in deze brief niet alleen om de kennismaking van iedere Nederlander met volkscultuur want daarin hoeft de overheid niet op te treden. Er is voldoende volkscultuur in het dagelijkse leven. Al was het maar de keuze van uw stropdas of schoenen 's morgens bij het aankleden. De brief noemt daarnaast een drietal 'doorsnijdende thema's': vernieuwing, diversiteit en verankering. En juist op die doorsnijdingen valt vanuit beleidsperspectief nog veel te doen. Onze samenleving zou moeten beseffen dat volkscultureel gedrag niet een hobby is van gepensioneerde boeren en boerinnen, maar dat elke groep de behoefte heeft om zijn cultuur vorm te geven. In het beleid zou naar mijn mening de hierboven besproken brede benadering van volkscultuur voorop moeten staan, gericht op het vergroten van de kennis over onze eigen cultuur van het dagelijks leven, maar vooral ook over die van andere groepen, ook als die in leeftijd, sociale status of etniciteit verschillen van de onze.
Overheden zouden daarom het verschijnsel volkscultuur positief kunnen benaderen door ruimte te bieden aan volksculturele evenementen, groepen te stimuleren om hun identiteit op passende wijze vorm te geven, ontmoetingen tussen verschillende groepen te organiseren of prijzen uit te reiken voor interessante manifestaties die aansluiten bij het gezicht van een gemeente. Ook is het van belang om volkscultuureducatie te bevorderen en volksculturele aspecten van het dagelijks leven te documenteren en te presenteren op festivals en in boeken, musea of theaters.
Zo kan ik mij voorstellen dat overheden de stoepen in multiculturele winkelstraten verbreden zodat elke winkel zijn eigen groentekistjes buiten kan zetten en groepen nieuwe Nederlanders op de hoek van de straat een hangplek kunnen vinden. Ik kan mij ook voorstellen dat graancirkelaars worden uitgenodigd om een expositie in te richten, dat scholieren subsidie krijgen voor een website met verhalen, moppen en broodje-aap-verhalen of dat graffiti een goed zichtbare, openbare plek krijgt in een gemeente.
Daarnaast zouden overheden er goed aan doen om de discussie over volksculturele kwesties open te benaderen en ruimte te scheppen voor het debat. Het is wenselijker om samen met de betrokkenen te zoeken naar oplossingen voor het verschijnsel van besnijdenis of gedwongen huwelijk dan om alleen maar stoer te roepen dat het schandelijk is en verboden moet worden. Het is goed om samen met hangjongeren te zoeken naar alternatieve activiteiten waarin zij hun identiteit kunnen creëren en vorm geven. Ik hoop dat het Programmafonds Cultuurparticipatie zal kunnen bijdragen aan een beter inzicht in en begrip voor de cultuur van het alledaagse leven.
Hans Bennis is directeur van het Meertens Instituut









