Radio programma´s 

inekeIneke Strouken is in 2009 dagelijks te horen op RTV Utrecht Tijd voor U tussen 11.00 en 11.15 uur en op maandag tussen 9.00 en 9.15 uur op RTV Noord-Holland tijdens het programma De Ochtend.
 

Waarom komen de krantenjongens langs om nieuwjaar te wensen? 

kerstmis

Op oudejaarsdag en op nieuwjaarsdag gingen mensen langs de deur om een goed nieuw jaar te wensen. Dat deden ze ook om overal wat te eten en te drinken. Bij boeren bleven de vrouwen thuis en gingen de mannen overal langs om nieuwjaar te wensen (en dus dronken thuis te komen).

In de achttiende eeuw komt er een verbod om langs de deur te bedelen. Arme mensen, maar ook alle ambachten en beroepen, gingen toen langs de deur om nieuwjaarswensen af te geven en daarvoor geld te krijgen. De krantenjongens doen dat nog.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (28 december 2009)

 

Wat zijn bekende oudejaarsgebruiken? 

oud en nieuw

Op Oudjaar worden er kniepertjes (ook wel knijpertjes, ijzerkoeken of rolletjes genoemd) gebakken. Het zijn heel dunne koekjes die je met een wafelijzer moet bakken. Het was een heel populair gebruik en dat is het nog steeds. In de achttiende en negentiende eeuw kreeg een bruidspaar vaak een kniepertjesijzer ten geschenke, soms ook met een eigen beeltenis. Kniepertjes moeten op Oudjaar plat gegeten worden, want het jaar is al ontvouwen. Op Nieuwjaar zijn het rolletjes, want je weet nog niet wat het nieuwe jaar zal brengen.

Oliebollen horen ook bij de jaarwisseling. Oliebollen zijn bedoeld om een bodem in de maag te leggen, waardoor de kou niet zo erg gevoeld wordt. Ze worden gemaakt van ingredienten die in de winter goed bleven. In het oudste Nederlandse kookboek staan ze beschreven als lijnzaadkoeken. Op de foto uit 1890 bakt een moeder oliebollen, terwijl een zoon er een proeft.

Goede voornemens horen eigenlijk niet op 1 januari gemaakt te worden, maar met Pasen. Bij elk seizoen (winter en zomer) maakten mensen zich klaar voor de nieuwe tijd. Huis schoonmaken, biechten, vasten en naar de kerk. Bij die overgang horen goede voornemens. Op 1 januari, midden in de midwinterperiode, is dat een verkeerd tijdstip en hebben de goede voornemens geen lang leven.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (28 december 2009)

 

Wat vieren wij met Onnozele Kinderen? 

Tussen 21 december en 6 januari waren er veel bedelfeesten om arme mensen de gelegenheid te geven om in de donkere koude midwinterperiode ook hun buik vol te eten. Eén van de bedelfeesten is Onnozele Kinderen op 28 december.

Op deze dag wordt herdacht dat Herodus op 28 december de kleine kinderen in Betlehem liet vermoorden. Hij vond het niet leuk dat er een koning - Jezus - was geboren en liet alle kinderen onder de twee jaar dood maken om concurrentie te voorkomen, want hij vond zichzelf de enige echte koning.

Vroeger werd op Onnozele Kinderen een omkeringsfeest gevierd, dat waarschijnlijk in Frankrijk is ontstaan. Het hield in dat op die dag diegene die nooit de baas was voor één keer de baas mocht zijn. Op Onnozele Kinderen zijn de kinderen de baas en moeten de ouders luisteren.
In Nederland was het feest van de Onnozele Kinderen tot in de zeventiende eeuw heel populair, daarna nam het af. Het was één van die katholieke feesten die door het opkomend protestantisme uit de gratie gingen.

Kinderen trokken op Onnozele Kinderen de kleren van hun ouders aan en spelen thuis en op school de baas. Ook gingen ze langs de deur om wat te krijgen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (28 december 2009)

 

Waarom mag men kussen onder de mistletoe? 

kerstmis

De Maretak of Mistletoe is een halfparasiet die op boomtakken groeit. Hij heeft smalle groene bladeren en witte bessen. De maretak komt in heel Nederland voor. Zijn naam is Viscum album ofwel heksenkruid.

Het verhaal gaat dat keltische priesters de maretakken op rituele wijze afsneden. De maretak zou beschermen tegen toverij, hekserij en het boze oog. Bovendien werd het gebruikt in drankjes tegen vergiftiging. Een takje mistletoe in huis zou het huis beschermen.

In de veertiende eeuw was het in Engeland de gewoonte om de deur met Kerstmis te versieren met een boog waarin maretak was verwerkt en een beeltenis van de Heilige familie. Een priester trok langs alle huizen om de heilige boog te zegenen. Mensen die te gast waren, werden onder de boog omhelsd als symbool van vriendschap en naastenliefde.
In de zeventiende en achttiende eeuw werd het gebruik van de heilige boog vervangen door een krans met maretak in het midden van de kamer. Kerstmisgasten die dansten, mochten elkaar onder de maretakkrans kussen. Bij elke kus moest men een bes van de krans halen. Was de krans leeg, dan mocht er niet meer gekust worden.

Het is dus een Engels gebruik, maar in 2001 heeft Alkmaar het wereldrecord van de grootste maretakkrans gevestigd. De maretak had een diameter van maar liefst zes meter.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (21 december 2009)

 

Wat is het verhaal achter de kerstster? 

kerstmis

De kerstster of Poinsettia heeft in de top rode bladeren (het zijn geen bloemen). Die bladeren worden rood als ze bloot gesteld worden aan fel licht. In Mexico is dat de zon, in Nederland is dat kunstlicht.

De legende van de kerstster luidt als volgt:

Er was een arm boerinnetje dat op kerstnacht bij de kerk stond en verdrietig keek naar de mooie geschenken die de kerkgangers bij het kribje van Jezus neer legden. Ze wilde graag ook naar binnen om te kijken, maar ze had geen geschenk. Een engel fluisterde haar in om een groene plant mee te nemen en die te schenken. De mensen in de kerk lachten haar uit en het meisje begon te blozen van schaamte. Haar rode wangen kleurden de bladeren in de top van de plant. De kerkgangers zagen hoe een gewone groene plant ineens een prachtige rode kleur kreeg. Ze gaven de plant de naam: Bloem van de Heilige Nacht.

De Amerikaanse diplomaat Joel Poinsett ontdekte de plant in 1828. Toen hij terug keerde naar de VS nam hij een aantal planten mee, die zijn naam kregen Poinsettia. De kerstroos werd vanwege zijn legende en rode kleur heel populair, ook in Europa.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (21 december 2009)

 

Wat is de legende van de kerstroos? 

kerstmis

De kerstroos of Helleborus niger is geen roos maar een winterharde plant die in januari al kan bloeien. Hij heeft mooie rode of witte bloemen. De bloem wordt op kerstkaarten afgebeeld en werd vroeger ook nageknipt als kerstversiering.

De legende van de kerstroos luidt:

Er was een herderinnetje dat naar de stal liep waar Jezus was geboren. Ze kon echter geen geschenk kopen. Huilend ging ze op weg. Opeens verscheen er een lichtstraal uit de hemel en verlichtte een wit bloeiende bloem aan haar voeten. Die nam ze mee en legde het vol eerbied bij de kribbe. Hiermee bloeiden meteen de eerste kerstrozen op aarde. De kerstroos werd gezien als een heilige plant die boze geesten afweerde.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (21 december 2009)

 

Waar komt de kerstbal vandaan? 

kerstmis

In Nederland was de kerstboom tot ver in de negentiende eeuw versierd met vergulde noten. Ook werden er appeltjes, speelgoed, koek en papieren slingers in gehangen.

In de catalogus 1831-1835 van een Duitse handelsonderneming is er voor het eerst sprake van glazen vruchten en noten voor in de kerstboom. In de catalogus van 1860 is er ook sprake van echte ballen van glas. Deze ballen hebben dan een doorsnee van 2,5 cm tot 6 cm en zijn verkrijgbaar in de kleuren rood, blauw, goud en zilver.

De eerste versieringen in het topje van de boom waren vooral engeltjes, kroontjes, sterretjes of wat engelenhaar. De kerstpiek komt uit Thüringen in Duitsland. De komst van de piek hangt samen met een nieuwe glasblaastechniek, waardoor veel dunnere en lichtere kerstboomdecoraties gemaakt konden worden. Die eerste ballen waren namelijk vrij zwaar. De nieuwe techniek ontstond doordat men gas ging gebruiken. Daardoor kon de vlam veel beter verdeeld worden en kon men dunne kerstballen en een lichte piek blazen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (14 december 2009)

 

Hoe oud is de traditie van de kerstboom zetten? 

kerstmis

Op kerstkaarten staat  vaak een kerstboom of kerstspar. De sparrenboom is makkelijk, ook als abstracte vorm -een driehoek -, te herkennen als kerstboom.

Waarom is het een spar en geen dennenboom? We zingen tenslotte het liedje 'O Dennenboom, o dennenboom, wat zijn je takken wonderschoon'. Een dennenboom heeft lange zachte naalden. De spar heeft korte harde naalden. Een spar is gemakkelijker te versieren.

In 1605 wordt er in de Hars voor het eerst melding gemaakt van een kerstspar. Sparren waren in die tijd vrij zeldzaam. Toen er een tekort dreigde aan hout, ging men in Pruisen herbebossen met sparren en niet met dennenbomen. Vanaf 1750 werden er overal sparren gepoot.

Aan de hoven van de Duitse keurvorsten werden in het begin van de achttiende eeuw kerstbomen in huis gezet met mooie waskaarsen. De Duitse keizerfamilie nam die gewoonte over. Toen het vorstelijk gezin kerstmis rond de boom ging vieren, werd het gebruik populair. De koningskinderen, die werden uitgehuwelijkt, namen de gewoonte mee en zo werd ook in Engeland en Nederland de kerstboom een traditie.

Het gebruik van de kerstboom is dus nog niet zo heel erg oud. Veel mensen denken dat de boom Germaans is, of heidens, of juist weer Christelijk, maar in feite is er pas in de eerste helft van de negentiende eeuw sprake van een kerstboom in Nederland. Het is dus een geïmporteerd gebruik.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (14 december 2009)

 

Wat zijn belangrijke symbolen op kerstkaarten? 

kerstmis

Op kerstkaarten staan vaak symbolen afgebeeld die een betekenis hebben.

Hoefijzers zijn een bekend symbool om huizen te beschermen of om ongeluk te weren. Het moeten gebruikte hoefijzers zijn (de kracht van het paard moet er in zitten) en om geluk te brengen moet het hoefijzer met zijn opening naar boven gericht opgehangen worden boven een deuropening.

Klavertjes vier brengen geluk omdat ze in de natuur zo zeldzaam zijn.

Lieveheersbeestjes zouden goede contacten hebben met de hemel. Daarom krijg je ook ongeluk als je ze dood maakt. Een bekend liedje is:
Lieveheertje
Geef mooi weertje
geef mooi dag
dat het zonnetje maar schijnen mag

Op kerstkaarten in de jaren zestig en zeventig stond vaak een vliegenzwam. Deze paddestoel (zeer giftig) staat voor moed, kracht en onoverwinnelijkheid. Nomaden in Noord-Azië zouden de paddestoel gebruikt hebben als drugs om in een roes te komen.

Geld komt ook voor op kerstkaarten. Het zijn geluksmuntjes. Een geluksmuntje geef je aan iemand, omdat dat het begin kan zijn van een groot kapitaal. De munt wenst iemand veel voorspoed en rijkdom. Dezelfde betekenis heeft een varken.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (7 december 2009)

Jan Tuttel, Meer dan een wens, Het verhaal achter het plaatje van de kerst- en nieuwjaarskaart (Utrecht 2006)

 

Wat doen roodborstjes op kerstkaarten? 

kerstmis

Roodborstjes zijn een bekend kerstsymbool. Het roodborstje zou een rood borstje hebben, omdat hij de doornen uit Jezus hoofd getrokken had. Hij hielp Maria ook met het brandend houden van het vuur in de stal. Hij bracht takjes en brandde daarbij zijn veren.

In Engeland staat het roodborstje op kerstkaarten ook voor de postbode die in een rode jas de kerstkaarten rondbracht. Een roodborstje zou geluk brengen: vooral als hij op Kerstdag voor de achterdeur of op de vensterbank zit te wachten op een stukje brood. In Engeland denken ze dan dat money coming is in the house.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (7 december 2009)

Jan Tuttel, Méér dan een wens. Het verhaal achter het plaatje van de kerst- en nieuwjaarskaart (Utrecht 2006)

 

Wat doen schoorsteenvegers op kerstkaarten? 

schoorsteenvegerOp oudere kerstkaarten staan vaak schoorsteenvegers. Vroeger waren schoorsteenvegers ‘deftige mannen’, die bij chique lui gingen werken. Alleen heel dure huizen hadden een schoorsteen.

Als je bij deftige mensen ging werken, dan moest je er ook deftig uitzien. Een zwart pak aan en een hoge hoed op gaven status. Ook al was je voor de rest ‘zo zwart als roet’. Overigens droeg alleen de meesterschoorsteenveger een zwarte hoed. Zijn leerling had gewoon een pet op.

In St. Maria Maggiore in Italië is jaarlijks een international schoorsteenvegersfestival. Dan lopen al die schoorsteenvegers met een hoge hoed, ladder, bezem en zo’n touw met sprieten er aan door de straten.

Schoorsteenvegers staan symbool voor geluk. Daarom zie je vaak schoorsteenvegers op oude kerst- en nieuwjaarskaarten staan. Ook bij een huwelijk hoorde vroeger een schoorsteenveger.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (7 december 2009)

Jan Tuttel, Méér dan een wens. Het verhaal achter het plaatje van de kerst- en nieuwjaarskaart (Utrecht 2006)

 

Wat betekent hulst op kerstkaarten? 

kerstmis

Op veel kerstkaarten staat hulst. Hulst is al heel lang een gewaardeerde plant, vooral ook omdat hij in de winter groen is. De plant symboliseert het eeuwige leven. Vandaar dat hulst vroeger met Kerstmis naar binnen werd gehaald. Voor de komst van de kerstboom versierden mensen hun huis met hulsttakken. Op veel oude boerderijen zie je ook altijd een hulstboom vlakbij het huis staan, want hulst zou het huis beschermen tegen blikseminslag, alles wat giftig was en tegen het kwaad.

Er zijn veel verhalen over hulst.Vroeger werd gezegd dat overal waar Jezus een stap gezet had een hulstboom uit de grond kwam. De rode bessen van hulst symboliseren de bloeddruppels en de stekelige takken het lijden van Christus. Hulst wordt dan ook in Denemarken 'Christusdoorn' genoemd, niet te verwarren met de  Nederlandse Christusdoorn.

Bij hulst hoort ook bijgeloof: Zo mag je hulst nooit wegdoen voor de twaalfde nacht na Kerstmis, dus nooit voor 6 januari, want dan gooi je het geluk weg.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (7 december 2009)

 

Waar komt het speciale sinterklaassnoep vandaan? 

anton pieck

Bij Sinterklaas hoort verschillende soorten snoepgoed:

Speculaaspoppen waren een gewild cadeau. Zij zaten vol met symboliek en werden mooi versierd. Ze werden gebruikt om iemand ten huwelijk te vragen. Maar met speculaaspoppen is meer aan de hand. Het zijn namelijk ook 'plaagpoppen'. Het woord speculaas komt van 'speculum' en dat betekent spiegelbeeld. Ze worden niet alleen in spiegelbeeld gebakken, maar ze houden ook iemand een spiegel voor. Door een bepaald soort pop te kiezen, kon je iemand met Sinterklaas op een lieve manier de waarheid vertellen. Net zoals wij nu doen op surprise avond.
Het deeg van speculaas is door de eeuwen heen veel zachter geworden, omdat bakkers na 1850 boter en melk door het deeg mengden. Hierdoor werd de smaak aangepast aan de tijd.

Iets anders wat ook absoluut bij Sinterklaas hoort, is taaitaai. Een taaitaai pop werd veel aan ongetrouwde vrouwen gegeven om te plagen dat ze nog niet getrouwd waren en geen kinderen hadden. Taaitaai werd ook veel uitgedeeld aan mensen die langs de deur kwamen en armen.

Borstplaat harten zijn gemaakt van suiker en werden gegeven aan geliefde personen. Kinderen kregen borstplaat beestjes om mee te spelen. Deze suikerbeesten vinden wij nu ontzettend zoet, maar dat komt omdat wij ze meteen helemaal willen opeten. Maar kinderen in de 19e eeuw kregen niet veel snoep en beten hele kleine stukjes van zo'n suikerbeest af. Suikerbeesten hadden ook het voordeel dat ze niet vergaan en dat je er mee kon spelen.

Marsepein is oud gebak en genoemd naar de god Mars. Met marsepein werden figuren gemaakt om te plagen of om iets te wensen. Marsepeinen varkentjes bijvoorbeeld zie je nog steeds veel bij de bakkers liggen. Door iemand een marsepeinen varkentje te geven, wens je hem veel voorspoed toe, want een varken staat voor welvaart.

De chocoladeletter is voortgekomen uit het gebruik om brood- en koekletters te geven met Sinterklaas. Kinderen kregen dan meestal de letters van hun naam en konden met die letters hun naam leren schrijven. Chocolade werd in de negentiende eeuw een geliefde, maar dure lekkernij. Alleen rijke kinderen kregen de eerste letter van hun naam in chocola.
Op het einde van de negentiende eeuw begon de fabrieksmatige productie van chocoladeletters. Daarvoor maakten suiker- en banketbakkers de letters zelf. De chocoladeletters werden in metalen vormen gegoten, afkomstig uit de vormenfabriek van Tilburg.

Het strooigoed bestond voor een belangrijk deel uit peper- en kruidnoten. Pepernoten zijn vierkant en taai. Ze zijn gemaakt van kruidkoek, een soort honingkoek. Kruidnoten zijn heel anders. Die zijn rond en gemaakt van speculaasdeeg. Kruidnoten noemen wij nu meestal pepernoten.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (30 november 2009)

 

Sinds wanneer bestaat het ganzenbord? 

spel

De oudste ganzenborden kwamen als hout- of kopergravure op de markt. Het oudste bewaarde ganzenbord uit de Noordelijke Nederlanden is een opgeplakte prent uit 1620 van de beroemde graveur en uitgever Claes Janszoon Visscher uit Amsterdam. In de rand van dit oude spel wordt in stripverhaalvorm het thema behandeld van een man die een vrouw ontmoet en met haar naar het bos gaat. Dit was waarschijnlijk moralistisch bedoeld. Het toegeven aan ‘aardse geneugten’ werd als een zonde gezien, waardoor de man zijn kennis en godsvrucht verliest.

Een eeuw later gaven de kopergraveurs Renier en Josua Ottens uit Amsterdam een ander type ganzenbord uit. Het gaat om een staand model met spelregels in het midden. Van dit bord zijn minstens tien verschillende versies bekend. De afbeeldingen in de rand zijn wat minder moralistisch dan voorheen. Het bespotten van de liefde was niet meer in de mode. In de ingangspoort van het spel danst nu een soort komische toneelfiguur, een dwaze nar. Rechtsonder staat een echtpaar met een hondje te zingen. Bovenin is een melancholische man afgebeeld. Op een andere illustratie is een man die zijn tong uit steekt te zien en die een obsceen gebaar maakt. Op andere borden ziet men wel een man met een lange neus en een vrouw die verwijtend haar vinger opsteekt. Het belerende karakter van de borden ligt voortaan meer op eer en geweten dan op het minnespel.

Ganzenbord fungeerde als kansspel. De eerste spelregel luidt: ‘Eerst setmen bij gheaccordeerde prijs, en dan werpt men.’ Op het genoemde achttiende-eeuwse bord staan in het laatste vak duidelijk munten afgebeeld, hetgeen er ook op wijst dat het om een kansspel ging. Vanuit streng protestantse hoek was er kritiek op het kansspel ganzenbord. De Amsterdamse predikant Petrus Wittewrongel schreef dat ganzenbord ‘in haer selven quat’ is, omdat het lot heilig zou zijn en God toebehoort en het voor de mens niet gepast was om er een spelletje van te maken. Er zijn echter geen verbodsbepalingen bekend die het spelen van ganzenbord in het openbaar, in herbergen en speelhuizen, verbieden. Dit was wel het geval bij triktrak en het kaartspel. Dit wijst er mogelijk op dat het spel alleen in huiselijke kring op tafel kwam. Het was verder waarschijnlijk al vroeg ook een spel voor jonge spelers omdat er geen verstandelijke behendigheid bij komt kijken.

De negentiende-eeuwse ganzenborden zien er weer anders uit. Omstreeks 1830-1840 is de beeldtaal van het ganzenbord sterk veranderd. Zo is er een uitgave van de Erve H. Reynders uit Amsterdam waarop centraal de huisvader is afgebeeld die wijst op een ganzenbord. Ook de huismoeder en haar kinderen wijzen naar een ganzenbord. In de ideologie van de burgerij in de negentiende eeuw ligt het zwaartepunt op huiselijkheid. Op het ganzenbord van Reynders is dat op verschillende manieren te zien: in de inrichting van de kamer met statussymbolen als gordijnen, ten tweede in de suggestie van degelijke opvoeding van de kinderen en ten derde aan de afbeelding van het voorbeeldige personeel.

Rond 1940 wordt ganzenbord definitief een kinderspel dat wordt gespeeld met pepernoten of fiches. Het is een spel voor de lange winteravonden. Op een bekend bord van fabrikant Jumbo zit in het middenveld een meisje dat ganzen voert. Ook tegenwoordig is het ganzenbord nog populair. Op Google levert de zoekterm 30.400 treffers op.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (23 november 2009)

 

Waarom trouwen mensen met de handschoen? 

huwelijk

Trouwen met de handschoen is een huwelijkssluiting waarbij één van de partners niet aanwezig is, maar wordt vervangen door een gevolgmatigde.

In de Middeleeuwen kwam het trouwen met de handschoen regelmatig voor. Rijke vrouwen werden uitgehuwelijkt. Vooral bij de adel werden vrouwen en huwelijken gebruikt om meer macht te krijgen. De bruid trouwde niet zelden zonder haar partner te kennen.

In de koloniale tijd met als hoogtepunt in de negentiende eeuw trouwden meisjes in Nederland om vervolgens naar hun mannen in Indonesië of Suriname te gaan. Reizen was rond 1900 nog tijdrovend en duur. Een Indiëganger kreeg één keer in de zes jaar een betaalde overtocht en zijn partner kwam pas voor een reisvergoeding in aanmerking als ze getrouwd waren.

Het ritueel van trouwen met de handschoen verschilde:
- Het kon zijn dat een familielid naast de bruid stond met de handschoen in zijn hand, die handschoen werd na de huwelijksvoltrekking symbolisch aan de bruid gegeven.
- Beide handschoenen werden ook wel symbolisch over elkaar gelegd.
- In de kerk lag de handschoen van de bruidegom op het altaar.

De bruidegom droeg met de handschoen symbolisch zijn bevoegdheid over aan zijn stand-in. Door de handschoen was de bruidegom zichtbaar op de bruiloft. Het ritueel waarbij bruid en bruidegom elkaar de hand gaven, werd vervangen door de handschoen te geven aan de bruid of door de handschoenen te verstrengelen.

De bruid ging op de foto, met het portret van de bruidegom achter haar op de muur gehangen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (16 november 2009)

 

Aan welke kant loopt de bruid? 

huwelijk

Bij het binnenkomen van de trouwlokatie loopt de bruid rechts. Vroeger kwam ze binnen aan de arm van haar vader. Vaders gaven immers hun dochters symbolisch weg aan hun man.

Het woord bruiloft betekent bruidloop. De bruid ging van haar ouderlijk huis naar haar nieuwe familie, van het gezag van haar vader naar het gezag van haar man. Ook werd ze van kind volwassen vrouw. Omdat mensen bij zo'n grote overgang in hun leven kwetsbaar zijn, loopt de vrouw rechts. Rechts is de gelukkige kant van een mens.

Na het huwelijk verlaat de bruid aan de linkerzijde van haar echtgenoot de trouwlokatie. Dit gebruik is oorspronkelijk religieus bepaald en komt voort uit de overtuiging dat de echtgenote ondergeschikt is aan haar man. Ze verhuist dus van de rechter ereplaats naar de mindere linkerzijde. Dat is ook de reden waarom bruiden soms bewust er voor kiezen om rechts van hun nieuwe man naar buiten te lopen.

Bron:
Ineke Strouken, 'Alledaagse dingen', in: Traditie, tijdschrift over tradities en rituelen, jaargang 9, nr.1 (2003)

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (16 november 2009)

 

Sinds wanneer dragen wij trouwringen? 

huwelijk

Als een man en vrouw zich verloven, is het gebruikelijk om elkaar een ring te geven. Ook bij het huwelijk doet men elkaar een ring om: de trouwring. Met deze ring beloven zij elkaar trouw te blijven. Protestanten dragen de verlovingsring meestal aan de linker ringvinger en de huwelijksring aan de rechter. Bij katholieken is het precies omgekeerd.

Rond 1700 gaf de man aan zijn toekomstige vrouw een ring. Die ring diende als onderpand, voor het geval hij zijn huwelijksvoornemen zou intrekken. Soms gaf men in plaats van een ring een penning. Die penning had dezelfde functie als de ring. Destijds kon de vrouw gerust de ring afdoen of aflaten. Nu staat het afdoen van de trouwring bijna gelijk aan problemen in het huwelijk.

Pas in de loop van de twintigste eeuw werd het gebruikelijk dat een getrouwd stel een trouwring droeg. Voor die tijd was de trouwring wel bekend, maar werd hij alleen door de meer vermogende vrouwen gedragen. Mannen droegen überhaupt geen ring. Als zij bij het huwelijk al iets kregen, dan was het bijvoorbeeld een bruidegomspijp of een horlogeketting. Bovendien bleef de ring meestal in de kast liggen. Alleen op hoogtijdagen had men een ring om.

Al in de Romeinse oudheid was het gebruikelijk om bij verloving en huwelijk iets waardevols aan de andere partij te overhandigen. Aanvankelijk betaalde de bruidegom handgeld aan de familie van de bruid. Daarmee kwam het recht om over de vrouw te beschikken in handen van de man. De man betaalde als het ware voor de hand van de vrouw. Eerst betaalde de bruidegom met geld, later symbolisch door een ring te overhandigen.

Geleidelijk aan nam de katholieke kerk een centrale positie in bij de huwelijksvoltrekking. De ring werd daarbij opgenomen in de huwelijksplechtigheid. In protestantse huwelijksvoltrekkingen werd de trouwring pas in 1930 onderdeel van de ceremonie.

Bron:
Ineke Strouken, 'Alledaagse dingen', in: Traditie, tijdschrift over tradities en rituelen, jaargang 9, nr.1 (2003)

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (16 november 2009)

 

Wat worden huwelijksjubilea genoemd? 

De bekendste huwelijksjubilea zijn genoemd naar metalen die steeds kostbaarder worden: 6,25 jaar is de blikken bruiloft, 12,5 is het koperen huwelijksfeest, 25 jaar is een zilveren huwelijk en met 50 jaar getrouwd vier je het gouden huwelijksfeest.

De andere huwelijksjaren zijn genoemd naar:
 1      jaar: katoen
 2      jaar: papier
 3      jaar: tarwe
 4      jaar: leer
 5      jaar: hout
 6¼   jaar: blik
 7      jaar: nikkel
 8      jaar: brons
 9      jaar: ijzer
10     jaar: tin
11     jaar: staal
12½  jaar: koper
13     jaar: vermiljoen
14     jaar: ivoor
15     jaar: porselein
20     jaar: kristal
25     jaar: zilver
30     jaar: parel
35     jaar: koraal
40     jaar: robijn
45     jaar: saffier
50     jaar: goud
55     jaar: smaragd
60     jaar: diamant
65     jaar: briljant
70     jaar: platina
75     jaar: radium
80     jaar: eiken

Bron:
Ineke Strouken, 'Alledaagse dingen', in: Traditie, tijdschrift over tradities en rituelen, jaargang 9, nr.1 (2003)

 

Hoe hield men vroeger voedsel goed in de winter? 

voeding

Vroeger was het goed houden van voedsel in de winter heel belangrijk. Voordat het wecken was uitgevonden (rond 1900) deed men dat op verschillende manieren. Eén daarvan was 'inmaken'. Dat kon in zout en in zuur.
Nog steeds zijn er mensen die dit doen. Je moet het alleen niet maanden laten staan, want dan wordt het 'bremzout'.

Zouten is erg oud: eeuwenlang hebben mensen met zout voedsel geconserveerd. Het voordeel hiervan is dat het zelden mislukt. Vroeger was het ook best moeilijk om hygiënisch te werken. Het water moest koken en dat duurde vrij lang. Want met gekookt water kun je iets heel goed steriliseren. Deze manier van inmaak berust op de conserverende werking van zout, vermengd met water en dat wordt dan pekel genoemd. Dat beneemt wel wat van de voedingswaarde van de groente en het maakt de groente ook erg zout, maar het blijft goed.

Wat heb je nodig:
- een Keulse pot of vat
- een bijpassend plankje
- een linnen doekje
- een steen of ander zwaar voorwerp

Het principe:
Begin met de groente heel goed te wassen en laat deze goed drogen, want als de groente nog veel water bevat, dan kan dat later de pekel verdunnen en dan is de kans op bederf groter.
Harde groente, zoals bijvoorbeeld sperziebonen, moet je even blancheren, dus even de kook er overheen laten gaan.
Zorg dat je zuiver keukenzout gebruikt en dat de pot heel schoon is en vooral ook het doekje om mee af te dekken.
Begin met een flinke laag zout, dan een laag groente, dan weer een laag zout, een laag groente enzovoort. Eindig met een flinke laag zout.
Pers de groente tijdens de inmaak heel stevig aan en vul het geheel steeds weer aan met gekookt, maar afgekoeld water.
Controleer elke 14 dagen of er geen 'kimlaag' ontstaat en reinig daarbij steeds het doekje, de plank en de steen. En dat 'kim' of 'witvel' moet je er heel zorgvuldig af scheppen. Neem ook de randjes goed mee. Vervolgens voeg je er weer een flink laag zout aan toe.
De inmaak moet op een koele, donkere plaats staan, bij voorkeur in de kelder. Dan kan het eigenlijk bijna niet misgaan.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (11 november 2009)

 

Wat is wecken? 

voeding

Op Sint Maarten, 11 november, moest je vroeger klaar zijn voor de winter. Het vee moest op stal staan, de kachel was weer in gebruik genomen en de zomerkleding ging de kast in met mottenballen en zakjes gedroogde lavendel en de winterkleding kwam eruit.

Maar wat misschien nog wel belangrijker was, was dat de kelder gevuld was, want genoeg te eten hebben in de winter was de grootste zorg voor moeders. Zeker als je veel kinderen had. Daar waren ze eigenlijk de hele zomer mee bezig. En als je dan genoeg te eten had, dan moest je ook nog zorgen dat je het goed hield tot Pasen. Je kon niet even naar de winkel lopen, inblikken was nog niet bekend en ook wecken bestond toen nog niet. Het was dus een enorme klus. En voor de tijd van het wecken was het meeste eten in februari al behoorlijk ver heen. De groente was dan al 'bremzout', appels en aardappelen waren al heel erg gerimpeld en op het vlees zat een geel laagje. Toch werd het nog gegeten. Dat gele laagje werd er gewoon afgespoeld, want je kon het je niet permitteren om ook maar iets van eten weg te gooien.

Tot ongeveer 1900 was het echt heel moeilijk om de winter rond te komen. Maar toen kwam er de uitvinding 'wecken'. Het is niet uitgevonden door mijnheer Weck, maar hij heeft het wel in korte tijd zeer populair gemaakt. Nu kon voedsel goed gehouden worden tot het einde van de winter, en zelfs nog jaren later. Er zijn in musea, en ook bij oudere mensen thuis, nog volle weckpotten te vinden uit de jaren twintig en dertig, die nog goed zijn. Het ziet er alleen niet zo lekker meer uit, maar het is echt nog wel te eten.

Wecken was een manier om voedsel te conserveren door groente, vlees, vis en vruchten te bewaren in de luchtdichte glazen weckpotten. Hierdoor kon voedsel vers blijven, zelfs zonder andere conserveringsmiddelen, zoals zout, te gebruiken. Voorwaarde was wel dat er heel hygiënisch gewerkt werd. Voordat het wecken was uitgevonden, waren drogen, zouten en roken de manieren om voedsel te bewaren.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (11 november 2009)

 

Wat heeft allerzielen met een kerkhof te maken? 

allerzielen

Bij Allerzielen worden de overledenen in gebeden herdacht. Door voor de zielenheil van de geliefde overledenen in het vagevuur te bidden, konden 'aflaten' verdiend worden. Zo kwamen de familieleden, vrienden en kennissen eerder in de hemel en werden ze eerder verlost uit het vagevuur. Vroeger dacht men namelijk in hemel, hel en vagevuur. Was je een goed mens geweest, dan kwam in je de hemel en hoefde er niet meer voor je gebeden te worden. In de hel was er toch geen redden meer aan, daar kwam je nooit meer weg. Maar in het vagevuur, waar kleine zondaars zaten, kon bidden helpen, zodat je alsnog naar de hemel toen mocht.

Allerzielen valt tegenwoordig op 2 november. De gelovigen herdenken de overleden medegelovigen die in het vagevuur verblijven. Allerzielen werd waarschijnlijk in 1008 voor het eerst gevierd in Luik. De viering verspreidde zich daarna in zuidelijke richting en zou pas in de veertiende eeuw in Rome worden ingevoerd. Kardinaal en aartsbisschop Carolus Boromeus verplaatste Allerzielen van de oorspronkelijke datum 15 oktober naar 2 november.

Met Allerzielen wordt niet alleen gebeden voor de zielenheil van de overledenen. Men bezoekt ook de kerkhoven en plaatst gewijde kaarsen en witte bloemen, met name chrysanten, op de graven. Ook at men speciale koeken bij Allerzielen. Deze 'zielenkoeken' werden op 2 november gezamenlijk met de andere familieleden gegeten. Eigenlijk was het dan heel gezellig op de kerkhoven, want iedereen kwam daar voor zijn overleden dierbaren.

Het gebed dat bij Allerzielen hoort is
'Niemand leeft voor zichzelf
niemand sterft voor zichzelf
wij leven en sterven voor God de heer
aan hem behoren wij toe'.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (2 november 2009)

 

Wat viert men op allerheiligen? 

Allerheiligen wordt gevierd op 1 november en Allerzielen op 2 november. Het zijn feesten aan het begin van de winter. Bij Allerheiligen gedenkt men de heiligen in de katholieke kerk, die niet op andere dagen van de kerkelijke kalender voorkomen. Er zijn meer dan 10.000 heiligen, en een jaar heeft maar 365 dagen.

Allerheiligen wordt in de christelijke kerk sinds de negende eeuw op 1 november gevierd. Het feest heeft waarschijnlijk zijn voorganger in de collectieve martelaarsfeesten. In het begin van de zevende eeuw werd het jaarlijkse feest voor alle martelaren gevierd op 13 mei. In de achtste eeuw veranderde Paus Gregorius III de feestdag voor alle martelaren in een feestdag voor alle heiligen. In 844 verplaatste paus Gregorius IV de dag naar 1 november. Waarom hij dat deed? Daar kunnen we alleen over speculeren: 1 november is wel het begin van de herfst, dat zou symbool kunnen staan voor de dood: de herfst van het leven. Maar aan de andere kant vierde men vroeger ook vaak de sterfdag in plaats van de geboortedag, omdat men geloofde in een leven na de dood en daarom de sterfdag belangrijker vond.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (26 oktober 2009)

 

Waarom vieren wij op 31 oktober Halloween? 

halloween

Halloween is een verbastering van `All Hallows evening', de avond voor Allerheiligen. Op allerheiligen en allerzielen gingen mensen naar de kerkhoven om hun dierbaren te eren.

Tijdens de reformatie in de zestiende eeuw verbood de protestantse overheid deze feesten, omdat ze in strijd waren met de reformatorische leer. Vanaf die tijd werd Halloween, vooral in Engeland, Schotland en Ierland, een werelds feest zonder kerkelijke achtergronden, dus een volksfeest.

In Engeland ziet men Halloween graag als een Keltisch feest. Halloween zou het Keltische nieuwjaarsfeest Samhain zijn, waarbij men het einde van de zomer vierde. Men dacht dat de zielen van overledenen terugkeerden naar hun oude woonplaats en dat is natuurlijk een eng idee.

Immigranten uit Engeland, Schotland en Ierland introduceerden Halloween in de negentiende eeuw in Amerika. Kinderen gaan daar verkleed langs de deur met een pompoen om een traktatie te vragen.

Op het einde van de jaren tachtig zag je de eerste Halloween parties en Halloween markten in Nederland. Nu is het een bekend verschijnsel. Veel kinderen verkleedden zich als heks of spook en gaan met een pompoenlampion door de donkere avond langs de straten griezelen.

De laatste dertig jaar is Halloween een populair feest, niet alleen bij kinderen maar ook bij jonge volwassenen. Dat komt omdat het heel goed aansluit bij onze behoeften. Snel uit je werk in een andere rol stappen en ergens naar toe gaan waar je meteen in de magische sfeer stapt en weinig hoeft te doen om die zelf te creëeren.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (26 oktober 2009)

 

Waar komt het gebruik vandaan om ons te wassen met zeep? 

zeep

Wassen doen wij onszelf elke dag, maar échte zeep gebruiken wij nog maar weinig. Zeep ontstaat door een verzeping van vet met loog. Chemisch is zeep het zout van de vetzuren. Met water ontstaat er een schoonmaakmiddel.

Zeep is ongeveer vijfduizend jaar oud en werd al in Babylon gebruikt. Daar is een cilinder van klei uit 2800 voor Chr. gevonden die een zeepachtige substantie bleek te bevatten. Ook is er een Babylonisch kleitablet van 2200 voor Chr. bewaard gebleven, met een formule om zeep te maken er op gegraveerd.

De oude Egyptenaren gebruikten zeep gemaakt van plantaardige en dierlijke olie.
Romeinse vrouwen gebruikten klei van de rivier de Tiber bij het reinigen van hun was. Dat kon omdat de klei vermengd was met dierlijk vet en as van de tempel op de berg SAPO. Daar werden dierenoffers gehouden. Van de naam van deze berg - SAPO - komt het internationale woord zeep vandaan.

Tot na de Tweede Wereldoorlog, tot in de jaren zestig en zeventig, werd zeep gebruikt voor het schoonmaken van het huis, om de was te doen en om het lichaam en haar te wassen. Eén van de bekendste soorten zeep is sunlight zeep.Tegenwoordig gebruiken wij andere producten, die op een andere manier zijn gemaakt.

Sunlight zeep werd voor de eerste keer in 1884 geproduceerd door Lever en Co van William Hesker Lever in Engeland. Nu bekend als Unilever. In 1885 kwam de zeep op de markt.
In 1887 produceerde de fabriek al 450 ton zeep per week. Op het einde van de 19e eeuw veroverde sunlight zeep ook de rest van de wereld, zoals Europa en de Verenigde Staten.

Sunlight zeep waren grote harde stukken zeep.
In 1899 kwamen er sunlight flakes op de markt. Met de flakes kon er gemakkelijker sop gemaakt worden, bijvoorbeeld voor de afwas, de was en de schrob.

In 1925 kwam de fabriek met een nieuwe zeep op de markt: Lux. Een schoonheidszeep voor vrouwen.

Lux en sunlight waren de eerste merken die reclame maakten op de radio. In de jaren dertig werd in een dagelijkse feuilleton reclame uitgezonden voor deze zeepproducten. Procter en Gamble staan achter deze soap/zeep voor de radio. Het woord soap voor televisieseries is hiervan afkomstig.

Lux gebruikte ook nog een andere formule. In de radiouitzendingen van Lux Radio Theater werden delen van speelfilms nagespeeld door echte sterren. De vrouwelijke filmsterren spraken ook de reclameboodschap in. Bekende sterren deden daar aan mee: Lucile Ball en Victoria Principal van Dallas bijvoorbeeld.

De boodschap was dat iedereen net zo’n zachte mooie huid kon hebben als filmsterren. En dat tegen een lage prijs. Schoonheid werd bereikbaar voor de massa. Want Lux werd in massaproductie geproduceerd en was dus betaalbaar.

Sunlight zeep werd vooral gebruikt voor het schoonmaken van het huis, hoewel er in heel wat huishoudens ook sunlight zeep werd gebruikt voor de wekelijkse wasbeurt’. Deze harde bruine stukken worden nog steeds geproduceerd.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (19 oktober 2009)

 

Welke hongerkunstenaar was te zien op de kermis in Amsterdam? 

lichaam

Een beroemde hongerkunstenaar was de  Fransman Claude Ambroise Seurat, die zo mager was dat de gloed van een kaars door zijn lichaam scheen.

Het levende geraamte of l’homme anatomique was beroemd in heel Europa en te bewonderen op kermissen. Voor 50 cent kon men in 1830 op de Amsterdamse kermis hem bezoeken van tien uur ’s morgens tot elf uur ’s avonds. Extreme vormen van het lichaam waren in de negentiende eeuw een spektakel waar toeschouwers graag voor betaalden.

Seurat slurpte wat verdunde wijn en bier en at maar drie ons voedsel per dag. In 1825 woog hij nog maar 36 kilo.

Na zijn dood werd, zoals gebruikelijk in die tijd, sectie verricht op het lijk. De oorzaak van de magerte bleek geen wonderlijke speling van de natuur, maar een lintworm van meer dan vijf meter!

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (12 oktober 2009)

 

Wie was Engeltje van der Vlies? 

lichaam

In de negentiende eeuw waren mensen gefascineerd door de gedachte dat je kon leven zonder voedsel. Vaak werden aan deze hongerende vrouwen ook religieuze krachten toegeschreven. Kluizenaar Engeltje van der Vlies uit Pijnacker was zo'n hongerkunstenaar en werd bezocht door toeristen, omdat ze niet at.

Engeltje (1787-1853) was een ziekelijk meisje. Ze gaf geregeld wormen op en kreeg toevallen. Ze was dienstmeid bij een dochter van een dominee: Juffrouw Elisabeth Stoorvogel. Daar kreeg ze steeds minder honger.
Vanaf maart 1818 leefde ze op karnemelk, het uitzuigen van vissenkoppen en soms was sla of groente. Vanaf 1820 at en dronk ze helemaal niet meer. Met warme voetbladen werden haar zenuwtoevallen bestreden.

Ze werd een nationale beroemdheid en een toeristische attractie. Ze stond zelfs in een Engelse reisgids over Nederland. De toeristen betaalden haar om op bezoek te mogen komen en wat met haar te praten. Ze geloofden dat ze werd gevoed door een vleesboom die gevoed werd door de lucht uit haar openstaande raam.

Er groeide ook twijfel. De Provinciale Commissie voor Geneeskundig Onderzoek en Toezicht liet haar dag en nacht bewaken door vier vrouwen. Zij zagen haar nooit eten en drinken en ook niet poepen of plassen.
Ze had wel fysieke klachten: stuiptrekkingen en hoofdpijn. De vrouwen concludeerden dat Engeltje weliswaar van onderen geen winden liet, maar wel van boven (boeren).
Elke dag stond ze om negen uur op en ging om tien uur naar bed. Ze hield zich bezig met naaien, breien en lezen en was opgeruimd en vrolijk.
Bij haar dood had ze een lengte van 1.45 m en woog ze 26,4 kg.

Dat Engeltje niet helemaal afzag van voedsel, kwam pas aan het licht na haar dood op 23 december 1853.
Er werd meteen sectie verricht in het schoolgebouw in Pijnacker waar zij woonde.
De sectie werd verricht door hoogleraar H.J. Halbertsma uit Leiden in het bijzijn van publiek. In de ingewanden vond Halberstma tot ontsteltenis van de toeschouwers grutjes en karnemelk.
Het echtpaar waar Engeltje bij inwoonde gaf toe Engeltje te hebben gevoed. Dat gebeurde door een geheim luikje in de bedstee.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (12 oktober 2009)

 

Sinds wanneer houden wij honden? 

dier

Honden en mensen leven al lang bij elkaar. In de Mesolithicum zijn op bewoningsplaatsen al beenderen van honden gevonden die dateren van ongeveer 5500 jaar voor Chr. De honden waren toen vrij groot en hadden een brede wolfachtige kop. Ze werden waarschijnlijk gebruikt voor de jacht.

In het Neolithicum zijn hondenbotten uit ongeveer 2500 voor Chr. gevonden. In die tijd hadden de honden een spitsere kop en leken ze meer op onze hond. Het waren waarschijnlijk waakhonden die dicht bij de mensen woonden. Honden bewaakten vee en voedsel en kregen daarvoor eten. Hun herseninhoud was in de loop der tijd kleiner geworden.

Grieken en Romeinen hielden honden als waak- en werkdier maar er zijn ook tekenen dat men honden als troeteldier ging houden. 
In de Middeleeuwen werden honden gezien als werkdier, maar ook als slokop en viezerik. Daar komt het spreekwoord 'zich gedragen als een hond' vandaan.

Pas in de 16e eeuw ontstond het huisdier, te beginnen aan het Engelse hof. Rijken kregen liefde voor dieren die geen nut hadden. Men ging schoothondjes houden. Mannen en vrouwen lieten zich portretteren met een hond.
Van Willem van Oranje is het bekend dat hij van honden hield. Ze mochten hem likken en ze sliepen bij zijn bed. Hij had een wit hondje met een stompe neus.

In de 18e eeuw werd de hond gehouden vanwege zijn trouw. Het wordt een kameraad. In ieder geval bij de rijken. Want het dier was ook een belangrijk werkdier, de trekhond bijvoorbeeld.

Toen de hond binnenshuis zijn plekje kreeg, ging hij deelnemen aan de leefgewoonten. Hij at mee uit de pot. 'De hond in de pot vinden' verwijst daar nog naar.
Pas in de 19e eeuw werd er speciaal voedsel voor de hond uitgevonden door de Amerikaan James Spratt in 1860.

Hondenpoep was vroeger bijna alleen een stedelijk probleem. Men ging zich vanaf het einde van de 19e eeuw steeds meer irriteren aan de stank. Daarnaast verdween begin 20e eeuw het paard uit het straatbeeld en daarmee ook de paardenmest.

Doordat steden hun straten gingen bestraten, werd de poep ook steeds beter zichtbaar en verdween het ook niet zo snel als op zandpaden. De ergernissen over poep op straat komen waarschijnlijk in de tweede helft van de 19e eeuw op. Een journalist van Het sportblad schreef in 1886 dat honden de enige dieren waren die een monopolie hadden om wegen en particuliere eigendommen te bevuilen. 'De reinheid van straten en gevels en de stoepen onzer woningen kwam dat niet ten goede', volgens de schrijver.

Niet onbelangrijk is dat sinds de 2e helft van de 20e eeuw bacteriën als de belangrijkste verspreiders van ziektes werden gezien. Vuile straten met uitwerpselen werden zo plaatsen waar ziektes zich verspreidden. En sinds die tijd ergeren we ons aan hondenpoep en zie je dat mensen van die bordjes ophangen met 'geen hondenpoep op mijn stoep!'

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (5 oktober 2009)

 

Wanneer werd er in Nederland een siamese tweeling geboren? 

siamese tweeling molenend

Op zaterdag 7 november 1953 verheugt in het Friese plaatsje Molenend mevrouw de Vries zich er op om naar haar favoriete  radioprogramma ‘Negen heit de klok’ te luisteren. In het kleine arbeidershuisje liggen haar andere zes kinderen al in bed. Maar haar vruchtwater brak en zij kreeg veel pijn. Mijnheer de Vries fietste razendsnel om dokter Wijthoff, een paar kilometer verderop, te waarschuwen. Dokter Wijthoff had wel eens gedacht dat mevrouw de Vries, gezien haar omvang, misschien een tweeling bij zich droeg, maar hij hoorde nooit twee hartjes. In die tijd waren artsen afhankelijk van hun ogen en oren en was het nog niet mogelijk om een echo te maken.

De bevalling was heel moeilijk. Toen het eerste meisje geboren was, bleek zij vast te zitten aan ‘iets’ in de baarmoeder. De baakster, die ook bij de bevalling aanwezig was, raakte in paniek. Na veel gegoochel zette dokter Wijthoff het tweede meisje op de wereld. Mevrouw de Vries had een siamese tweeling - Tjitske en Folkje – gebaard. Ze waren met hun buik aan elkaar gegroeid. 

De politieman, die over een telefoon beschikte, regelde een auto om de tweeling en hun moeder naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis te brengen. Maar daar wisten ze zich met de baby’s geen raad. Ze konden ze zelfs geen luier aangeven. Daarom werd het drietal op een geïmproviseerde brancard met een taxi naar het Provinciaal Ziekenhuis in Leeuwarden gebracht, waar gynaecoloog prof. Hoedemaker zich over hen ontfermde.

Dokter Wijthoff had na de bevalling meteen foto’s gemaakt, die hij liet ontwikkelen bij de plaatselijke fotograaf. Hij waarschuwde de man dat hij de foto’s aan niemand mocht laten zien, want de ouders die gereformeerd waren zouden het vreselijk vinden als hun kinderen bloot in de krant kwamen te staan. Een vooruitziende blik, want de pers uit de hele wereld stroomde toe.

In het ziekenhuis had men geen ervaring met siamese tweelingen. Men liet daarom een Engelse arts, dokter Aird, overkomen die net een siamese tweeling had gescheiden. Deze scheiding was gedeeltelijk gelukt. Eén van de baby’s was gestorven. De meisjes uit Molenend bleken over een eigen hart, longen en andere organen te beschikken. Alleen bevonden de ingewanden van de ene baby zich in de buik van de andere baby.

De meisjes groeiden goed. Ruim zeven maanden na de geboorte, op zaterdag 12 juni 1953, vond de scheidingsoperatie plaats. Een team van zeven artsen deed de operatie. Na een kwartier waren de meisjes gescheiden en werden de wonden gehecht. Het was één van de allereerste volledig geslaagde scheidingen van een siamese tweeling ter wereld.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (21 september 2009)

 

Wie noteerde het sprookje Roodkapje? 

roodkapje

De bekendste verzamelaars van het sprookjes zijn de gebroeders Wilhelm en Jakob Grimm uit Duitsland. Zij verzamelde sprookjes in de 19e eeuw bij vertellers uit hun omgeving. Tot die tijd bestonden deze verhalen alleen in orale vorm. De Gebroeders Grimm publiceerden hun Kinder- und Hausmärchen in 1812-1814. In latere versies haalden ze de ruwe kantjes uit de verhalen om ze geschikt te maken voor kinderen.

De eerste Nederlander die sprookjes noteerde was de zoon van een Groningse boer, Gerrit.  De boer had een thuisnaaister, Trijntje Soldaat. Trijntje vertelde altijd allerlei verhalen onder het naaien aan de kinderen. Gerrit noteerde de verhalen in een aantekenboekje en zo hebben we bij toeval een serie verhalen die ouder zijn dan de verhalen van de gebroeders Grimm. Trijntje stierf namelijk in 1814. Van de zeventien verhaaltjes van Trijntje waren er zes sprookjes. De rest van de collectie bestaat uit rovers- en griezelverhalen.

Charles Perrault uit Frankrijk was ook een bekende verhalenverzamelaar. Perrault schreef De Sprookjes van Moeder de Gans (1697), waarin ook het bekende sprookje van Roodkapje staat. Het zijn verhalen met een stevige moraal aan het eind en bedoeld voor een volwassen publiek. Charles Perrault heeft de verhalen van het kindermeisje van zijn zoon. Het meisje vertelde allerlei sprookjes aan de jongen. Perrault luisterde stiekem mee en schreef de sprookjes op.

Roodkapje is het sprookje over het kleine onschuldige meisje dat bij haar grootmoeder op bezoek gaat om haar wijn en koek te brengen. Ze moet door een groot donker bos lopen. Haar moeder waarschuwt haar: ga niet van het pad af en praat niet met andere mensen. Onderweg ontmoet ze de wolf, die haar vraagt waar ze naar toe gaat. Dat vertelt ze de wolf.

Eindelijk komt ze bij het huisje van grootmoeder aan waar de wolf grootmoeder heeft opgegeten. Roodkapje vraagt drie keer: ‘Grootmoeder wat heeft u een grote ogen, wat hebt u grote oren en wat hebt u een grote mond’ en wordt dan zelf door de wolf opgegeten. Uiteindelijk bevrijdt de jager grootmoeder en Roodkapje uit de maag van het dier en verdrinkt de wolf door de stenen in zijn buik te stoppen in de put.

Het loopt slecht af met Roodkapje. De moraal van het verhaal is eigenlijk: eigen schuld dikke bult. Moet je de waarschuwingen van je moeder om niet met vreemden te praten maar ter harte nemen.

Bij ons is Roodkapje een kleuter die niet van het pad af moet dwalen om bloemen te plukken, maar bij Perrault gaat het om een bijna volwassen vrouw die gewaarschuwd wordt voor de sluwe streken van vrijers. De wolf is een symbolische figuur en staat voor de man die vrouwen verleidt om met hem het bed te delen.

Roodkapje is een sprookje over de overgangsrite. Roodkapje wordt een jonge vrouw, die op moet passen voor de mannen en die haar grootmoeder die oud is gaat opvolgen.

De goede afloop met de jager is er later aangeplakt en lijkt gestolen te zijn van De Wolf en de zeven geitjes. Dit is gedaan om de seksuele betekenis en moraal die Roodkapje heeft, weg te poetsen. Roodkapje wordt in de 19e eeuw het onschuldige blozende kind en is niet langer een nieuwsgierige jonge vrouw.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (14 september 2009)

 

Wanneer wordt huisvrouw zijn de taak van de vrouw? 

huishouden

Tegenwoordig heb je huisvrouwen en huismannen. Maar de meeste vrouwen zijn werkende vrouw en huisvrouw tegelijkertijd.

Vóór de negentiende eeuw had je rijke vrouwen het huishouden bestierden met dienstboden maar zelf niets deden. Arme vrouwen moesten werken en huishouden combineren. Voor dat man en kinderen wakker waren, waren deze vrouwen al aan het werk: pap koken voor het gezin, de was doen en schoonmaken. Overdag werkten ze mee op het land of in het veen om ’s avonds na het koken en kinderen naar bed doen, nog te naaien en te verstellen. Men zegt niet voor niets: Een vrouwenhand en een paardentand staan niet stil.

In de negentiende eeuw komt er een nieuwe klasse van middenstanders op: ambtenaren, onderwijzers en administrateurs. Zij hadden een bescheiden inkomen, maar waren niet arm. Deze kleine burgerij wilde graag wat lijken. Daarom vonden ze het niet fatsoenlijk dat hun vrouw werkte. Maar ze hadden ook geen geld voor dienstbodes. De huisvrouw: de vrouw die zelf het werk in het huishouden deed, was geboren.

Er ontstond een strak rollenpatroon, waar je volgens de normen van die tijd niet aan moest tornen. De maatschappij was het terrein van de man, het huis het domein van de vrouw. Huisvrouwen zorgden voor de voedselbereiding, het schoonmaken, de kleding, het opvoeden van de kinderen en het ontvangen van gasten. Ze moest zuinig, zinnelijk en vlijtig zijn.

Dat er meer huisvrouwen kwamen en dat huisvrouw zijn een belangrijk taak werd gevonden, is te zien aan het verschijnen van allerlei boekjes hierover. Zoals De bekwame huishoudster van Elsje Visser (1868).Aangeraden werd om veel zorg te besteden aan het meubilair, want dat moest immers een leven lang mee.

Ook een strenge planning en een strakke werkindeling werd belangrijk gevonden:
Maandag wasdag
Dinsdag drogen en strijken
Woensdag inkopen doen
Donderdag de bovenboel
Vrijdag de benedenboel
Zaterdag de buitenboel

Meisjes leerden al vroeg van hun moeder het huishouden: kloppen, vegen, boenen, schrobben en poetsen.Op vrijdag werden alle meubels uit de kamer aan de kant geschoven en werd het vloerkleed gereinigd. Eerst werd het geveegd (dikwijls had men er vochtige theebladeren op gestrooid om het vuil aan te trekken) en vervolgens werd het kleed buiten over een rek gehangen om met een mattenklopper het stof er uit te kloppen.

En dan was er nog twee keer per jaar de grote schoonmaak: vóór Sint Maarten het winterklaar maken van het huis en de kelder vullen en vóór Pasen de grondige reiniging.
Alles ging er uit en werd overhoop gehaald. Alles in de kast werd gewassen of afgewassen. En dan werkte men: van achter naar voren en van boven naar onderen.

Moeder had dus nooit rust.

’s Avonds
Huismoeder komt nu tot rust
En breidt met ijver en met lust
Al eene kous is kant en klaar
Nog veertien dagen ….. àf is het paar
Moeder is van al ’t gedoe
Voor huisgezin en kinders moe
Maar denkt al weer, hoe zij op morgen
’t Al kan beschikken en bezorgen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (7 september 2009)

 

Waarom steken vrouwen hun pink omhoog als ze theedrinken? 

In de negentiende eeuw gingen de Engelse vrouwen van goede komaf hun vrouwelijk bezoek ontvangen met een high tea, thee met allerlei zoete en hartige hapjes. Thee was populair geworden.De theekopjes uit die tijd zijn fragiel gemaakt, zijn niet hoog maar breed. Om die goed te kunnen vasthouden werd de pink gebruikt als tegengewicht. Daarom werd theedrinken met de pink omhoog mode bij de vrouwelijke upperklasse. Vandaar dat men zegt, ‘doe maar gewoon’, als iemand met zijn pink omhoog theedrinkt.
Overigens is met de pink omhoog theedrinken niet goed volgens de etikette. 

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (31 augustus 2009) 

 

Waarom slaan mensen hun hand voor de mond als ze schrikken? 

Als mensen schrikken komen er allerlei emoties vrij. Je reageert daar lichamelijk op: je ogen worden groter, je gaat sneller adem halen en er treedt een spierverslapping op waardoor je mond openvalt. Als een soort van reflex sla je daarom je hand voor je mond. Want in een open mond kunnen insecten binnen vliegen. Bovendien staat het ook niet mooi. Als je moet gapen wordt ook geleerd een hand voor je mond te houden.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (31 augustus 2009)

 

Waarom duimen wij als wij iemand geluk wensen? 

Als je zegt: ‘Ik zal voor je duimen’ dan bedoel je daarmee dat je aan iemand zult denken en hem van afstand zult bij staan in een spannend moment zoals een examen. Het is te vergelijken met een kaarsje (bij Maria) branden.

Duimen voor iemand is nog niet zo heel oud. Kornelis Ter Laan, een bekende volkskundige, noemde het in 1950 in zijn spreekwoorden- en gezegdenboek ‘een modern volksgeloof’. Het bestond dus toen wel, maar was vrij nieuw.

Het volksgeloof  is ouder. Men dacht dat de kracht van een hand in de duim zat: ‘iemand onder de duim houden’ komt daar vandaan.

Bij de Romeinen, en later bij de Christenen, was het opsteken van de duim, wijsvinger en middelvinger een teken van overwinning.
Bij de Romeinen besliste de duim ook over leven en dood. In de Romeinse arena vroeg een gladiator door een vinger op te steken om de strijd te mogen staken. De keizer besliste: duim omhoog is ‘ja’ en duim omlaag is ‘nee’. 
Nog steeds wensen wij iemand geluk door de duim omhoog te steken.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (31 augustus 2009)

 

Hoeveel mensen stierven er aan de Spaanse Griep in 1918? 

dood

De Mexicaanse griep doet denken aan de Spaanse griep. Laten wij hopen dat het niet zo erg wordt, want de Spaanse griep doodde in korte tijd meer mensen dan in de Eerste Wereldoorlog stierven. Vijftig miljoen !! mensen overleden aan de Spaanse griep. Daarom is het heel raar dat deze enorme epidemie in de vergetelheid is geraakt. De griep brak uit op het einde van de Eerste Wereldoorlog (vrede in november 1918). Iedereen was oorlogsmoe en verzwakt.

De Spaanse griep brak uit in 1918. Op 27 mei 1918 werd Koning Alfonso XIII van Spanje geveld door de griep en met hem vele onderdanen. Vanaf die tijd heet de ziekte: de Spaanse griep. Tot ongenoegen van de Spanjaarden.

Waar de griep precies vandaan kwam, is niet bekend. Wel is zeker dat er onder de konvooien met militairen die uit de VS naar Europa kwamen veel zieken waren. De besmetting sloeg razendsnel om zich heen. Nederland was niet direct in oorlog, maar België wel. De vluchtelingen uit België brachten de ziekte naar Nederland.

Niemand wist waar de griep vandaan kwam. Het bestaan van virussen was al wel bekend, maar niemand wist hoe het virus er uit zag, want men beschikte nog niet over een elektronenmicroscoop.  Er gingen geruchten dat het Duitse farmaceutisch Bayer besmette medicijnen had verkocht. Ook de lijken van gesneuvelde soldaten kregen de schuld. Vanuit de kerk dacht men dat het de gesel Gods was, gestuurd om de mens te straffen.

Artsen konden niets doen. Veel patiënten stierven binnen enkele dagen, heel erg benauwd omdat hun longen volliepen met vocht. Anderen bezweken binnen tien tot veertien dagen. De penicilline was nog niet uitgevonden. In de volksmond werd gezegd dat jenever drinken hielp. Ook de abdijsiroop van de firma Akker uit Rotterdam werd goed verkocht. De mensen gingen met mondkapjes lopen. De overheid wist niets te doen, dan te waarschuwen voor goede hygiëne en de kermissen en bioscopen te sluiten.

De grafdelvers maakten overuren. Het waren vooral veel jongeren die het loodje legden.
In Nederland overleden 30.000 mensen. Drenthe werd het ergst getroffen. Hele gezinnen werden begraven.

Gelukkig beschikken wij nu over antibiotica die het virus kunnen remmen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (24 augustus 2009)

 

Going Dutch 

going dutch

In het buitenland wordt nog al eens 'Holland' in plaats van Nederland gezegd. Dat stamt uit de Gouden Eeuw toen de provincie Holland met Amsterdam tot de belangrijkste handelscentra ter wereld behoorde. De andere provincies hadden nauwelijks met het buitenland te maken, althans niet met overzeese gebieden.
Daarom kan ‘een gezonde Hollandse jongen’ uit heel Nederland komen en kunnen de beroemde ‘de Hollandse luchten’ ook in Drenthe te zien zijn.

Maar als mensen je in het buitenland vragen wat je voor taal spreekt sdan zeg je niet ‘Hollands’, maar Nederlands of in het Engels ‘Dutch’.
‘Dutch’ lijkt op Duits, maar heeft er niets mee te maken. ‘Dutch’ komt van ‘diets’ wat volkstaal betekent. In de Middeleeuwen sprak de elite Frans, de kerk Latijn en het volk diets.
In de zestiende eeuw werd nog ‘Duitsch’, ‘Duytsch’ en ‘Nederduytch’ gezegd om onze landstaal aan te geven. Vanaf de zestiende eeuw zie je steeds vaker dat men zegt dat wij ‘Nederlandsch’ spreken.

Er zijn ook gezegden die met ‘Dutch’ te maken hebben.
- ‘Going Dutch’ betekent dat als je samen uit eten gaat, ieder voor zichzelf betaalt.
- ‘Dubble Dutch’ wordt gebruikt dat als twee mensen vrijen ze allebei een voorbehoedsmiddel gebruiken: zij de pil bijvoorbeeld en hij een condoom.

Er zijn in het Engels verschillende uitdrukkingen met ‘Dutch’. Bijvoorbeeld:
- He speaks dubble Dutch, hij kraamt onzin uit, het is dronkemanstaal. Deze uitdrukking komt uit de 16e en 17e eeuw toen Nederlandse zeemanslieden in de Engelse kroegen berucht waren om hun drankinname.

Het woord ‘Dutch’ heeft in de Engelse samenstellingen meestal een negatieve betekenis:
- Dutch courage betekent niet dapper
- A Dutch Treat, helemaal geen verrassing
- Going the Dutch is zelfmoord plegen
- in Dutch betekent in moeilijkheden.
Waarschijnlijk heeft de negatieve betekenis te maken met de Engelse oorlogen (17e en 18e eeuw), toen Hollanders en Engelsen tegen elkaar veel zeeslagen leverden. De Nederlanders verloren uiteindelijk, maar beroemd is de overwinning van admiraal Michiel de Ruyter die in juni 1667 met een kleine vloot door de verdedigingsketting over de Medway, een zijtak van de Theems, kon breken en zo de Engelse vloot in de dokken van Chatham kon vernietigen.

De uitdrukkingen ‘Going Dutch’ en ‘Dubble Dutch’ zijn gebruikt door een kunstenaar: Berend Strik om een kunstwerk te maken.
Berend had Nederlandse roots en woonde in 1999 in Brooklyn, een wijk waar veel culturen wonen. In de plaatselijke supermarkt was een bus waspoeder Old Dutch Cleaner te koop, een gele bus met onder een rode rand. Op die rand holt een vrouwtje in klederdracht. op klompen met een stok in haar hand. Door haar houding lijkt het alsof ze druk bezig is met schoonmaken. Alle stof moest weg, alles moest proper zijn. Het deed Berend Strik denken aan zijn Nederlandse identiteit. Dat resulteerde in twee kunstwerken Dubble Dutch en Going Dutch. Het laatste kunstwerk is op linnen en stelt twee vrouwen in klederdracht voor, rennend in een vaag landschap.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (17 augustus 2009)

 

Gifmengster Goede Mie uit Leiden 

criminaliteit

Goeie Mie was een negentiende-eeuwse gifmengster uit Leiden, die in heel Nederland de gemoederen bezig hield.

Goeie Mie heette in werkelijkheid Maria Catharina Swanenburg en was getrouwd met Johannes van der Linden. Deze Leidse vrouw, die leefde van 1839 tot 1915, geldt als één van de moorddadigste criminelen uit de Nederlandse geschiedenis. De gifmengster vermoordde haar ouders, de kinderen van haar buren en waarschijnlijk ook haar eigen kinderen. In totaal doodde ze minstens 27 mensen bij meer dan honderd pogingen. Zij deed dat om de verzekeringspremies op te strijken. Daarnaast heeft ze met haar gifpogingen vele mensen voor hun leven lang invalide gemaakt.

Mie Swanenburg werd Goeie Mie genoemd, omdat zij zo hulpvaardig was. Altijd hielp zij zieke mensen. Het was een normale vrouw. Wij kennen nog een beschrijving van toen zij voor de rechtsbank stond. Mie was een vrouw van middelbare leeftijd met een normaal postuur, gekleed in een jack, rok en omslagdoek. Ze droeg een muts met keelbanden, waaronder pikzwart haar uit kwam. Haar gezicht was rond en tanig.

In 1887 begon Goede Mie met het stelselmatig vergiftigen van familie en buurtgenoten. Dat kon ze makkelijk doen, omdat zij altijd zeer betrokken was bij zieke mensen en ook een deel van de verpleging op zich nam.

Mie vergiftigde haar slachtoffers met zwavel arsenicum, ook wel operment genoemd. Een goedje dat gebruikt werd om wandluizen te bestrijden. Haar slachtoffers kwamen allen kronkelend van de pijn om het leven.

Haar motief was het innen van de verzekeringsgelden bij de begrafenisfondsen. Mie begon voor al haar familieleden begrafenisverzekeringen af te sluiten. Ook voor kennissen deed ze dat, zonder dat die mensen dat wisten. Bij elk overlijden inde zij 50 gulden, een enorm bedrag in die tijd. Mie heeft met de 50 gulden die ze na elke gifmoord ontving niets gedaan. Waarom niet? Ze leefde in armoe en had in rijkdom kunnen leven. Dat is één van de raadsels die deze moordenares in haar graf heeft meegenomen.

Mie kon lange tijd ongemerkt haar gang gaan. Men vermoedde niet dat de hulpvaardige vrouw een moordenares was. Door toeval liep ze in 1883 tegen de lamp. Na de plotselinge dood van Mie's schoonzus, haar man en hun acht maanden oude kind, hield men Goeie Mie aan. Er waren inmiddels teveel doden in de omgeving van Mie, zodat het op ging vallen. Ze werd op heterdaad betrapt met de verzekeringspapieren bij zich.

Haar verdediger, een zekere mr. C.A. Vaillant, moest haar verdedigen. Geen goede verdediger, want hij erkende dat er nooit een groter onmens in de beklaagdenbank had gestaan dan Mie.

Toen aan Mie werd gevraagd of ze nog iets te zeggen had, betoonde ze geen spijt maar vroeg: `Alsjeblieft een genadige straf’. Dat deed de rechter niet. Ze werd door het hof schuldig verklaard en veroordeeld tot levenslange tuchthuisstraf.

In de media werd met verbijstering op de milde straf gereageerd. De Tijd pleitte zelfs voor herinvoering van de doodstraf en schreef `Stuitend dat monsters door de maatschappij levenslang onderhouden en beschermd worden.’ De doodstraf was juist in 1870 afgeschaft.

Goeie Mie stierf na een langdurige ziekte in 1915 in haar cel in de vrouwengevangenis in Gorichem.

Mie’s man liet zich scheiden en hertrouwde. Haar kinderen heeft ze nooit meer gezien. Veel mensen waren voor hun leven lang gehandicapt, omdat Mie ze had proberen te vergiftigen. Aan haar huis heeft jarenlang een bord met `Hier woonde de Leidse gifmengster’ gehangen.

De daden van Mie brachten de discussie of dokters wel goed opletten op gang. Bij arme mensen kwamen zij niet eens kijken bij overlijden. De lijkschouwing werd beter geregeld. De begrafenisverzekeringen werden aangepast, zodat er niet zo makkelijk misbruik van gemaakt kon worden.  Ook hebben de tegenstanders van lijkverbranding de gifmoorden aangepakt om de mogelijkheid om lijken te cremeren op de lange baan te schuiven. Het duurde nog een hele tijd voordat cremeren legaal werd.

De verzekeringen wilden het geld na de veroordeling terug vorderen en spande een zaak tegen Mie aan. Die verloren zij, want er was niets in de polis over moord opgenomen. Mie verloor het geld aan de staat omdat het strafrecht wel de mogelijkheid kende om wederrechtelijk verkregen voordeel (dus gestolen geld) van de daders te ontnemen.

Blijf vreemd dat Mie het geld dat ze van de verzekering kreeg, niet gebruikte om beter te gaan leven. Waarom niet? Het blijft een raadsel. Was ze bang dat het zou opvallen? Immers ook haar man wist niets van haar praktijken. Was ze een vrek? Of was ze gewoon bang om heel arm te worden. Immers zij was geboren in een heel arm gezin. We weten het niet. Mie heeft het geheim in haar graf op de katholieke begraafplaats in Gorinchem meegenomen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (10 augustus 2009) 

 

Hoe komt de sanseveria aan zijn naam? 

plant

Een ouderwetse degelijke plant is de sanseveria, ook wel sanseviera of sansevera genoemd.
Deze plant stamt uit de leliefamilie. Je ziet hem vooral in België, maar tegenwoordig wordt hij ook wel in moderne interieurs gezet omdat hij heel weinig onderhoud vergt. Het is een plant met lange groene of grijze bladeren die omhoog staan en een scherpe punt hebben. De bladeren lijken op tongen en men spreekt dan ook vaak over vrouwentongen.

Voordat u er van alles achter denkt: de plant heeft een nette herkomst. Hij is genoemd naar de Italiaanse prins, Raimondo di Sangro van San Seviero (1710-1771). Deze prins was een gevierd wetenschapper in zijn tijd.

De plant is in Nederland vooral bekend geworden door het Simplisties Verbond van Koot en Bie. Toen zij een keer een aflevering over Vlaanderen maakten, vroegen zij sympathisanten als herkenningsteken een sanseveria voor het raam te zetten. De vele sanseveria’s die zij tegen kwamen, zouden allemaal van fans zijn. Echter de plant was in die tijd de populairste kamerplant van Vlaanderen, vandaar dat ze veel sanseveria’s tegen kwamen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (3 augustus 2009)

 

Sinds wanneer zetten wij planten in huis? 

plant

Geen mens staat er nog bij stil dat het houden van kamerplanten eigenlijk net zo'n tegennatuurlijk verschijnsel is als het houden van een kanarie in een kooi. Aan het eind van de achttiende eeuw was men zich daar wel van bewust.

Men achtte het zijn plicht om de `gevangenschap' zoveel mogelijk te verlichten door de `slachtoffers' in goede conditie te houden. Het gebrek aan kennis van de verzorgers en het ontbreken van vensters leidden ertoe dat het houden van planten in huiskamers eigenlijk als ongunstig werd beschouwd. Toen kwam er een kentering, eerst bij de burgerij en daarna bij de arbeidersklasse.

Aan het eind van de negentiende eeuw creëerde de burgerij een privéwereld binnen de muren van het eigen huis en planten werden een belangrijk onderdeel van het burgerlijk interieur. Eén van de redenen om planten te houden, was de schoonheid ervan. De plant diende ter verfraaiing van het interieur. Een ander motief voor het houden van de kamerplant was het contact met de vrije natuur dat de plant vertegenwoordigt. Ook was men van mening dat het verzorgen van kamerplanten een weldadige werking had op de lichamelijke gezondheid. Planten zouden een positieve bijdrage leveren aan het klimaat in de kamer en aan de hygiëne. De planten die in de woonkamers van burgers werden gehouden waren: palmen, clycamen en clivia’s bijvoorbeeld. De zogenaamde plantentafeltjes stammen uit deze tijd.

Vanaf 1870 spanden burgers zich in om het kweken en verzorgen van planten te bevorderen bij de arbeidende klasse. Door planten te verzorgen, zo meende men, zou de mens vanzelf liefde voor de natuur bijgebracht worden en dat zou een tegenwicht vormen tegen vandalistische neigingen. Van het kweken en verzorgen van planten zou een beschavende werking uitgaan.

In dit kader ontstonden de Floralia-verenigingen die tot in de jaren zestig van de 20ste eeuw in een aantal steden actief zijn gebleven. Deze verenigingen verkochten in het voorjaar fuchsia-, begonia- en geraniumstekjes tegen een lage prijs aan de arbeidende klasse. Eind augustus werden er tentoonstellingen gehouden, waar de planten van de deelnemers op allerlei aspecten werden beoordeeld, onder andere op netheid. De prijzen varieerden van geld en nuttige voorwerpen tot getuigschriften. De planten die bij de gewone mensen populair werden, waren de fuchsia, begonia, geranium, petunia en het vlijtige liesje.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (3 augustus 2009)

 

Hoe komt de sandwich aan zijn naam? 

voeding

De sandwich – twee boterhammen op elkaar met meerdere soorten beleg er tussen en dan schuin door gesneden – is genoemd naar admiraal Lord Montagu, graaf van Sandwich (1718-1792).

Deze graaf van Sandwich was een verwoed kaartspeler en als hij eenmaal aan het kaarten was, vergat hij te eten. Zijn kok maakte daarom hele dunne sneetjes brood met daartussen flink wat beleg voor hem klaar. Zo kon hij kaarten en eten tegelijkertijd. Door twee sneetjes brood te gebruiken kreeg hij geen vette vingers. Lord Sandwich was dol op een sandwich roast-beef.

De graaf van Sandwich was geen goede admiraal. Hij verwaarloosde de Engelse vloot waar hij voor verantwoordelijk was. Ook was hij lid van de Hell Fire Club, een genootschap dat rituele duivelsaanbiddingen uitvoerde en veel drinkgelagen organiseerde.

In de 19e eeuw kwam het gebruik om high-tea te houden in Engeland op en bij de high-tea werd de sandwich erg populair.
De arbeiders noemden de sandwich butties, want zij aten een sandwich met veel calorieën, bijvoorbeeld een bacon-buttie, uitgebakken spek met boter en chips.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (27 juli 2009) 

 

Komt de croissant uit Frankrijk? 

voeding

Wij denken dat de croissant uit Frankrijk komt. Maar dat klopt niet. Het broodje in de vorm van een halve maan is tijdens de Turkse bezetting van Wenen in 1683 ontstaan.

Bakkers beginnen midden in de nacht met brood bakken, om ‘s morgens vers brood te hebben.
Nu gaat het verhaal dat Weense bakkers toen ze ‘s nachts aan het brood bakken waren, Turkse soldaten een gang onder de stad hoorden graven. Ze waarschuwden de soldaten en de bevolking, en de Turken werden verdreven. Om deze overwinning te vieren werden er broodjes gebakken in de vorm van een halve maan, het nationale Turkse symbool.

Het was Oostenrijkse Marie-Antoinette die in 1770 bij haar huwelijk met de Franse kroonprins de croissant aan het Franse hof introduceerde.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (27 juli 2009)

 

Hoe komt de Jodenkoek aan zijn naam? 

voeding

Een jodenkoek is een grote, platte koek van zandgebak van zo'n 10 cm in diameter. Ze zijn makkelijk om uit te delen, omdat ze in een handige bus zitten.

Wat de koek met Joden te maken heeft, blijft een beetje vaag. De koek was al in de 19e eeuw bekend. In 1883 werden de originele koeken gemaakt in Alkmaar door de frima Davelaar.
De koek staat ook in kookboeken uit die tijd en dan blijkt het eigenlijk een hele simpele koek te zijn, gemaakt van bloem, bruine suiker, wat water, wat olie en een heel klein beetje gist. Het heeft dus niets te maken met de matzen die Joden met Pasen eten, want dan mogen ze juist niets eten waar gist in zit.

Het verhaal gaat dat er ooit een Joodse bakker uit Enkhuizen was die in de jaren twintig van de vorige eeuw de koeken deur aan deur verkocht, wat de naam van deze koeken verklaart. Dit is de meeste gehoorde verklaring.

Maar de bronnen spreken elkaar ook tegen, want andere bronnen melden dat de naam niets met het jodendom te maken heeft, maar dat de bakker met de familienaam 'de Joode' deze koeken bakte.

Dan is er nog een derde verhaal. De koeken zijn groot maar dun. Voor weinig geld kon je daarom een grote koek presenteren. En Joden verkochten graag dingen die voor iedereen te betalen waren. Vandaar jodenkoeken.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (20 juli 2009) 

 

Wanneer werd de negerzoen uitgevonden? 

voeding

Een tijdje geleden was er nog al wat ophef over de lekkernij 'negerzoenen'. Het koekje bestaat uit opgeklopt eiwit met een wafeltje en is bedekt met chocolade. Kinderen zijn er gek op, maar ook bijvoorbeeld mensen die verslaafd zijn. In België worden ze 'negerinnentetten' genoemd.

In 2006 werd na 86 jaar de naam veranderd in `Zoenen’ ofwel `Buys Zoenen’. Buys is de fabrikant van negerzoenen. Mensen zouden zich aan de naam negerzoenen gestoord hebben, maar later bleek het een reclameactie van Buys zelf te zijn.

De herkomst van het koekje ligt in Denemarken aan het begin van de 19e eeuw. Vandaar verspreidde deze lekkernij zich over heel Europa en zelfs Amerika. Het koekje dat wij nu kennen is ontwikkeld in Franse banketbakkerijen in de 19e eeuw.

In Nederland ging de firma ´Banket en Biscuit´ het in 1920 bakken. Het bedrijf was van B.P. Buijs in Oudenbosch en bestond al sinds 1890. Eerst werden de negerzoenen met de hand gemaakt, maar vanaf 1957 kreeg Buys een machine, die ruim 10.000 negerzoenen per uur kon produceren. Over hoe de negerzoenen aan hun naam komen zegt de fabrikant: ‘Iemand die een negerzoen eet, krijgt bruine lippen en als die een ander een kus geeft, dan is dat een kus van een neger.’

Maar er is nog een ander verhaal. Een nazaat van bakker Jos van de Ven (overleden in 1949) vertelde in het Brabants Dagblad van 29 maart 2006 dat haar opa de negerzoen in 1920 heeft uitgevonden. De Tilburgse bakker Jos van de Ven maakte de zoenen met de hand. In een grote pot warme chocolade werden de schuimpjes één voor één ondergedommeld. Eén van de werknemers van Jos van de Ven stapte over naar Buys, die er direct octrooi voor aanvroeg.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (20 juli 2009)

 

Wie zijn er bekend als volksgenezer? 

Dokters waren duur en de medische kennis was in de 19e eeuw minder ver gevorderd dan nu. Daarom was de volksgeneeskunde een middel om van kwalen af te komen. Iedereen wist er wel wat van: boerenwormkruid is tegen wormen, salie was om tot rust te komen en ochtendurine zou wratten laten verdwijnen.

Klaas Ursem

Van Klaas Ursum komt de fistelpot. Een fistelpot is een 19e-eeuws middel uit de volksgeneeskunst dat gebruikt werd om fistels (een soort hardnekkige ontsteking) te genezen. Hoofdbestanddeel van de fistelpot is roomboter.
Klaas Ursem (1802-1883) is de eerste die het volksgeneesmiddel op de markt bracht. Klaas kreeg het recept volgens de overlevering rond 1825 van een koopman die bij hem overnachtte. De man werd ziek, maar wist zichzelf te genezen dankzij zijn opmerkelijke kruidenkennis. Hij behandelde vervolgens een familielid van Klaas, die leed aan een beenfistel. Als tegenprestatie voor de genoten gastvrijheid kreeg Klaas het recept voor het geneesmiddel: de fistelpot.
Het middel wordt nog steeds geproduceerd door de familie Ursem in Nibbixwoud. Het gebruik van het middel verdween nooit helemaal. Door de opkomst van alternatieve geneeskunde is de populariteit zelfs weer gestegen.

Papvrouwen

De papvrouwen of pleisterjuffrouwen waren genezeressen die met pleisters en zalf hulp verleenden aan mensen met uitwendige klachten. De papvrouwen waren in de 19e eeuw vooral in de steden geconcentreerd. Een bekende papvrouw was Maaike Vietsch (1823-1905), een Rotterdamse die veel met drankjes werkte. Ze had een assortiment van minstens vijfenveertig dranken. Het waren curieuze mengsels van bijvoorbeeld drop, vlier, zouthout, kamille, sassefras en IJslands mos. Hersenzalf bijvoorbeeld bestond uit zoete olie, witte was, reuzel en wat sandelhout. Deze roodachtige zalf werd aangeprezen tegen hersenontsteking.

Miet van Dijk was een genezeres uit Hekendorp, tussen Gouda en Woerden. Ze was een strijkster, over wie de verhalenverzamelaar Kooiman in de jaren zestig van de twintigste eeuw twintig verhalen optekende. Miet van Dijk had, volgens de overlevering een bijzondere macht over dieren en kon mensen genezen door over ze te strijken.

Wonderdokter Jan Muus

Jan Muus (officieel Jan Muis) leefde van 1846-1922 in Soest. Hij was bezembinder en veldarbeider, maar genoot vooral bekendheid als bebaarde wonderdokter. Hij gold als pijnafstrijker. Met zijn wonderzalf van hondenvet of kattenvet genas hij onder meer zweren, brandwonden en gekneusde botten. Muus woonde in een hut in het veen, maar werd ook wel aangeduid als holbewoner. Op enkele overgeleverde foto's zien we hem voor zijn hut, compleet met lange baard, hoed, kalken pijp en sjofele kleren: hij lijkt zo weggelopen uit een archaïsche sprookjeswereld.
Over de wonderlijke medicijnman deden vele verhalen de ronde. Zo zou hij bij volle maan altijd naar een 'kruusweg' zijn gegaan, om daar van onbekenden zakken vol geld te incasseren, zodat hij nooit hoefde te werken.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (13 juli 2009) 

 

Wat betekent het woord boterham? 

voeding

De herkomst van het woord boterham is niet geheel zeker. Het onderdeel boter is duidelijk, daarmee wordt aangegeven dat een snee brood vroeger standaard van boter werd voorzien. Het onderdeel ham is minder helder. Het heeft in ieder geval niets met vlees te maken.

Vroeger was de spelling boteram of boterram. Een rammel (of remmel) is een ouderwetse benaming voor een snee brood. In Vlaanderen noemen ze geroosterde broodjes rammekes. Mogelijk ligt daar de verklaring voor de derde lettergreep van het woord.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (29 juni 2009)

 

 

Sinds wanneer eten wij brood bij ons ontbijt? 

voeding

Het woord ontbijten bestaat uit twee delen: ont en bijten. In het Middelnederlands betekent ont: voorafgaand aan, en bijt bijten of eten. Ontbijten betekent dus ‘beginnen aan het eten’, ofwel ‘de eerste maaltijd van de dag’. Het woord ontbijt is in de 13de eeuw voor het eerst opgetekend. Een ontbijt is dus eigenlijk een ‘vooraf maaltijd’.

Het Engelse breakfast en het Franse petit déjeuner betekenen ‘het onderbreken van het vasten’, break-the-fast en rompre-le-jeùne. Frühstuck betekent vroeg eten.

In de Middeleeuwen werd er gewoonlijk niet ontbeten. Er werd tweemaal daags warm gegeten, rond het middaguur en ’s avonds. Alleen mensen die zware arbeid moesten verrichten begonnen hun dag met pap of pannenkoek, soms met een snee roggebrood voor ‘er bij’. Aparte broodmaaltijden bestonden er niet. Een broodmaaltijd was duur, want de graanoogsten waren te mager en het graan was nodig voor de productie van bier.

In de 16e en 17e eeuw wordt het gewoner om drie keer per dag te eten. Er werd toen vooral ontbeten met verse of gerookte haring met bier of karnemelk. Zieken en kinderen aten het lichtere broodontbijt: roggebrood, kaas, soms boter en bier.

In de 18e eeuw begonnen de rijken hun dag met koffie en thee en brood. Op het platteland bleef men pap, brij en pannenkoeken eten, gecombineerd met een snee roggebrood met vet of boter.

Na 1750 stegen de graanprijzen door misoogsten. Hierdoor werd het brood heel duur. Arme mensen stapten daarom over op de goedkope aardappel of aten balkenbrij als ontbijt.

In de loop van de 19e eeuw gaat men in de steden ontbijten met brood, boter en koffie of thee.
Op het platteland bleef men nog lang pap, (boekweit)pannenkoek en aardappelen eten. Vooral boeren hadden twee ochtendmaaltijden: één lichte hap bij het opstaan en een maaltijd rond half elf.
Er zijn gegevens uit Noord-Holland dat men bij het opstaan begon met een snee roggebrood en om half elf een snee roggebrood belegd met vet, aardappelen of pannenkoek at.
Na de Tweede Wereldoorlog wordt het broodontbijt normaal.

Hoewel nieuwe Nederlanders gewend zijn anders te ontbijten (Turkse mensen: linzensoep, Molukse mensen: wadje – kleefrijst, Chinese mensen Dim Sum hapjes, Marokkaanse mensen pannenkoeken met honing en zandkoekjes met olijven) nemen ze steeds meer onze boterham met kaas over.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (29 juni 2009)

 

Welke vrouw leek op Oom Dagobert Duck? 

geld

Oom Dagobert Duck heeft een vrouwelijke equivalent. Dat is een Amerikaanse vrouw – Hetty Robinson – geboren in 1835 en gestorven in 1916.  Zij wist alles van obligaties, aandelen en hypotheken. Maar ze was ook een ziekelijke vrek.

Van haar grootvader erfde zij ongeveer 10 miljoen dollar. Toen ze op 30-jarige leeftijd trouwde met een miljonair ging ze wonen in een huurwoning in een arme wijk. Dat huwelijk werd niet gelukkig. Hetty vertok en nam haar bankboekje mee.

Haar dagen bracht ze door op de marmeren vloer van een bank. De hele dag hield ze haar boekhouding bij en zorgde er voor dat het steeds meer werd. Ze leefde van pap gemaakt van water met havermout. Die pap maakte ze klaar op de verwarming van de bank.

Toen ze stierf liet ze haar zoon 150 miljoen dollar na. De zoon was anders dan zijn moeder. In enkele jaren jaagde hij haar hele fortuin er door heen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (22 juni 2009)

 

Wie was de miljoenenjuffrouw? 

De Miljoenenjuffrouw is de bijnaam van Jannetje Struyck uit Vuren. Het was een Nederlandse oplichtster die leefde van 1849 tot 1908. Jannetje verdiende de kost door mensen op te lichten met gefingeerde erfenissen. Dat leverde haar tonnen geld op.  Ze liep tegen de lamp en kreeg vijf jaar gevangenisstraf. Ze werd er wel nationaal beroemd door.  Nog steeds wordt haar naam gebruikt als er bijvoorbeeld voorlichtingsfilms over oplichters gemaakt worden.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (22 juni 2009)

 

Waarom is een spaarvarken een varken? 

geld

Een spaarvarken was heel lang een appeltje voor de dorst. Niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk. Als je geld spaarde, deed je dat in een oude sok of je kocht een varken. Het varken werd vet gemest en als hij dik genoeg was, kwam de slachter. Eén deel hielden de mensen zelf en het andere deel werd verkocht. Het varken zorgde dus voor eten en geld.

Op een gegeven moment is zo'n 'spaarvarken' ook figuurlijk een spaarvarken geworden. Een varken van keramiek of blik met een gleuf erin, waar je een muntje in kon doen. Na verloop van tijd werd het spaarvarken geleegd en had de spaarder geld om naar de kermis te gaan of om een kachel te kopen.

Het varken heeft ook nog een andere betekenis: een varken is vet en dat betekent voorspoed. Op nieuwjaarskaarten staat vaak een varken en dat betekent dat je iemand een heel goede boterham op de plank wenst. Je wenst iemand letterlijk genoeg te eten het volgende jaar.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (22 juni 2009)

 

Waarom zeggen wij zegge en schrijven? 

De uitdrukking 'zegge en schrijve' staat dikwijls op een kwitantie. Deze uitdrukking stamt uit de Middeleeuwen. Schrijve betekent: ik schrijf. Zegge betekent: ik zeg. Het betekent: ik zeg 100 euro en ik schrijf honderd euro. De vervoeging van de werkwoorden is in de loop der eeuwen vereenvoudigd: zegge = zeg en schrijve = schrijf geworden.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (22 juni 2009)

 

Wanneer werd voor het eerst vaderdag gevierd? 

Vaderdag is in navolging van moederdag in 1910 voor het eerst in Spokane in de staat Washington (VS)gevierd. Ann Jarvis bedacht moederdag, omdat ze het belangrijk vond dat kinderen één keer per jaar stilstonden bij de liefde en zorg van moeders. Sonora Smart-Dodd vond dat een goed idee. Zij had zelf geen moeder meer, want haar moeder was bij de geboorte van haar zesde kind in het kraambed gestorven. Haar vader - William Jackson Smart, een veteraan uit de Amerikaanse Burgeroorlog - had zijn kinderen alleen moeten grootbrengen.  Sonora had veel bewondering voor het feit dat haar vader zo goed voor het moederloze gezin had gezorgd en wilde ook een jaarlijkse vaderdag invoeren. Echter het Amerikaanse Congres, dat wel moederdag officieel erkend had, moest niets weten van een officiële dag voor vaders. Pas in 1972 erkende president Nixon vaderdag.

In Nederland stammen de eerste gegevens over vaderdag uit de jaren dertig, maar pas in de jaren vijftig werd vaderdag op grote schaal gevierd. Vaderdag is echter nooit zo populair geweest als moederdag. Vaders krijgen op vaderdag ontbijt op bed, kleine kinderen zeggen een versje op en maken op school een frutseltje. Standaard cadeaus zijn 'mannendingen' als stropdas, scheerapparaat en sigaren.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (9 juni 2009)

 

Hoe oud is de ritssluiting? 

kleding

In 1891 vond een zekere Judson een laars uit met een systeem waarbij de haken en ogen in elkaar grepen, waardoor de twee delen aaneen sloten. Hij vroeg hier in 1891 patent op aan. Het heette de Zipper. Alleen werkte de Zipper niet echt goed. Vaak schoot de laars weer open.

Judson verkocht zijn patent aan Lewis Walker en deze ontwikkelde met de Zweed Gideon Sunback in 1906 een goed werkende rits. Tot 1920 werd de rits vaak toegepast in theaters, waar acteurs zich snel moesten omkleden. Pas in de jaren dertig was de rits zo vervolmaakt dat hij in herenbroeken gebruikt kon worden en sindsdien is het een alledaags ding.

Waar de naam rits precies vandaan komt, is niet bekend. Wellicht heeft het iets te maken met 'reeks’: men zegt ookwel een rits verklaringen. Dingen die in serie in elkaar schuiven.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (2 juni 2009)

 

Wie vond de spijkerbroek uit? 

kleding

Onze spijkerbroek komt uit Amerika, maar de stof komt uit Frankrijk.

De uitvinder van onze spijkerbroek is Levi Strauss. Strauss was in 1847 vanuit Duitsland naar New York geëmigreerd. In 1853 verhuisde hij naar San Francisco, omdat daar net goud ontdekt was. Hij ging er kleding verkopen. Toen de goudzoekers hem vroegen om hele sterke broeken te maken vanwege het zware werk in de mijnen, ging hij broeken van tentdoek maken. Toen hij door zijn voorraad tentdoek heen was, ging hij over op een stevige stof die hij uit Frankrijk haalde, uit Nîmes. De naam zegt het nog: denim betekent stof uit Nîmes. Een andere naam is jeans. Jean is een bepaalde stof. Jean wordt geweven met twee draden in dezelfde kleur. Later werd één draad blauw geverfd. Dit wordt dat blue jeans genoemd.

Jacob Davids, een kleermaker die vaak stof kocht bij Strauss, bedacht dat het goed was om kleine metalen klinknagels te verwerken op plekken die het meest te lijden hadden. Hij gebruikte daar klinknagels voor die in paardendekens werden verwerkt. Het werden dus klinknagelbroeken ofwel spijkerbroeken.

Davis wilde patent aanvragen op zijn uitvinding, maar had niet genoeg geld. Daarom vroeg hij hulp van Straus. Samen vroegen zij patent aan en onze spijkerbroek was geboren. In 1859 werden de eerste spijkerbroeken in Europa ingevoerd.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (2 juni 2009)

 

Wat is een meidenmarkt? 

huwelijk

Op tweede Pinksterdag is het weer meidenmarkt in Schoorl. Jongens en meisjes uit de buurt ontmoeten elkaar op het klimduin en natuurlijk loopt het uit de hand. Al honderden jaren maakt het gemeentebestuur zich daar druk om.

Vroeger waren er overal meidenmarkten. Op Texel was het de lammetjesmarkt, ik geloof op de derde pinksterdag. Pinsterdrie was vroeger een gewoon verschijnsel in Noord-Holland. Op Pinksterdrie waren de jaarmarkten en vrijersmarkten. Op Texel deden de meisjes die nog niemand hadden gevonden om kermis mee te vieren dikke kousen aan en zo wisten de jongens: die is nog vrij.

Tot in de jaren zeventig waren er nog in veel steden speciale plekken voor jongeren om elkaar te ontmoeten zonder toeziend oog van de ouders. Meestal was dat een laantje achter de kerk bijvoorbeeld. Ook was het op een vast tijdstip. Bijvoorbeeld op zondag na de avondmaaltijd.
Aan de ene kant liepen de jongens op en neer en aan de andere kant de meisjes. Er werden grapjes en plagerijtjes gemaakt. Vond een jongen een meisje leuk dan ging hij haar aandacht trekken: duwen, aan het haar trekken, gekke dingen zeggen. Als hij kon dan pakte hij wat af, zakdoek, tas of sjaal. Dan had hij de kans omdat een dag later terug te brengen en kon hij beter kennismaken. Er is nog een gezegde:’ meisjes die viooltjes dragen mag je kussen zonder vragen’.

Op de vrijersmarkten ging het er ook zo aan toe, alleen was daar vaak een koppelaar bij die beide partijen aan elkaar koppelde. Er is een mooie beschrijving uit Noord-Holland daarover. In Lusthof der Huwelijken (1681) geeft Pieter de Ney de beschrijving van de vrijstersmarkt in Schermerhorn.
'Een omroeper riep op de hoeken van de straten om dat alle vrijsters ‘die lustig en rustig om te trouwen zijn’ zich moesten begeven naar een bepaalde herberg waar tabak, bier en brandewijn te krijgen was. Binnen de kortste keren stonden er voor de herberg huwbare vrouwen, die geen van allen naar binnen durfden te gaan. Niemand wilde de eerste zijn. Totdat de jongens uit de herberg naar buiten kwamen en de meisjes vroegen binnen te komen. Vervolgens werd er gedronken en gedanst. Dan splitste de groep zich. De jongens gingen aan de ene kant van de zaal staan en de meisjes aan de andere kant. Er kwam een koppelaar binnen, die fluisterend de vrijers vroeg op welk meisje zij hun oog hadden laten vallen. Bij dat meisje ging hij de jongen aanprijzen ‘geen een zijn deugden en kwaliteiten verzwijgende’. Als het meisje er op in ging, dat betaalde de jongen het verteer en moest hij zijn vrienden ’s avonds trakteren op rijstebrij met kaneel en suiker.'
Een moderne vrijersmarkt is tegenwoordig op de televisie: Take me out van RTV 5.

Ineke Strouken, 'Bruidssuikers en Wittebroodsleven', deel 14 in het Alledaagse leven.

Ineke Strouken, RTV Utrecht (25 mei 2009)

 

Wanneer ontstond het romantische huwelijk? 

huwelijk

Tegenwoordig trouwen wij vanuit verliefdheid: vlinders in je buik, helemaal hoteldebotel van iemand zijn. Maar er is een gezegde ‘liefde maakt blind’. Niet altijd was verliefdheid de basis voor een huwelijk.

Tot in de negentiende eeuw trouwden mensen met hun verstand en niet vanuit gevoel. Rationele motieven speelden de hoofdrol bij de partnerkeuze: ‘twee geloven op een kussen daar ligt de duivel tussen’ en ‘bunder bij bunder leggen’ zijn gezegden die daar nog van overgebleven zijn. Je moest ook binnen je eigen stand trouwen.

Bouwt en trouwt met uws gelijk,
Arm met arm en rijck met rijck,
Net met kuys en mors met vuyl,
Valck met valck en uyl met uyl.

Jacob Cats (1577-1660)

Het huwelijk gold als een verbintenis tussen twee families en hoe meer geld er was, hoe minder de kinderen zelf mochten kiezen. De ouders en de omgeving drukten een sterke stempel op het kiezen van een huwelijkspartner.
Al was het in Nederland minder dan bijvoorbeeld in Frankrijk. In Nederland gold het principe ‘je moet elkaars lucht wel lekker vinden’, want anders had het huwelijk weinig kans van slagen. Er zijn dus gevallen bekend, waarbij het huwelijk niet doorging omdat één van de partners het niet zag zitten.

In Noord-Holland gold: ‘voor de vuurtang zijn alle vrijers bang’. Om een meisje te laten merken dat je haar wel zag zitten, waren er in alle regio’s vaste gebruiken. In Noord-Holland kon de jongen op zondag namiddag als de hele familie thuis was een bezoek brengen aan het huis van het meisje waar hij een oogje op had. Dat was heel spannend. Want onder toeziend oog van de familie werd hij gekeurd. Schonk het meisje hem een kop koffie in, dan vond ze hem wel leuk. Pakte ze de vuurtang, dan was hij afgekeurd en hoefde hij niet meer terug te komen. In Utrecht nam de jongen een huwelijkskoek mee. Gaf het meisje hem het kapje van de koek dan vond ze hem niet leuk. Ook het aantrekken van een vuile schort was een manier om haar afkeuring te laten blijken.

In de loop van de negentiende eeuw veranderde het verstandshuwelijk in het romantische huwelijk. Dit kwam ook onder invloed van de romantische literatuur waarin een prins op het witte paard de romantiek aanwakkerde. Het waren echter de mensen met het minste geld die als eerste trouwden met wie ze wilden. Maar ook daar gold nog tot in de twintigste eeuw de regel: je moest binnen je eigen stand trouwen, met iemand van de eigen leeftijd en uit het eigen dorp, want anders werd er ketelmuziek gemaakt in de huwelijksnacht.

Ineke Strouken, 'Bruidssuikers en Wittebroodsleven', deel 14 in het Alledaagse leven.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (18 mei 2009)

 

Wie zijn de ijsheiligen? 

ijsheiligen

Mei biedt meestal het eerste zomerse weer, maar als de wind vanuit het noorden komt, kan het ook ineens erg koud zijn. Dieptepunt was in 1935 toen op 14 en 15 mei overdag het nergens warmer was dan 6 graden.

De eerste helft van mei moet je nog rekening houden met vorst. Iedereen kent het begrip ijsheiligen wel. Het is het oudste bekende begrip uit de volksweerkunde. Al rond het jaar 1000 waren de ijsheiligen bekend.

11 mei Sint Marmertus
12 mei Sint Pankratius
13 mei Sint Servatius
14 mei Sint Bonifatius
(niet die bekende die in 754 bij Dokkum werd vermoord, maar een Romeins burger die in 307 de marteldood stierf tijdens de christenvervolgingen)
15 mei Sint Sophie van Rome (koude sophie)

Zij vieren dan hun naamdag. Deze dagen zijn bekend vanwege mogelijke nachtvorst. Na 15 mei neemt de kans op vorst snel af.

Ineke Strouken, RTV Utrecht (15 mei 2009)

 

Wat vieren wij met bevrijdingsdag? 

bevrijdingsdag

Bevrijdingsdag is de dag dat de bevrijding van de Duitse bezetter herdacht wordt. 5 Mei viert Nederland weliswaar de bevrijding, maar de uitgewerkte capitulatievoorwaarden werden pas op 6 mei ondertekend. Dat gebeurde in de aula van de Landbouwhogeschool die naast Hotel de Wereld in Wageningen lag. Historisch gezien zou dus 6 mei de dag van de bevrijding moeten zijn.

In de beeldvorming is 5 mei de dag dat Duitsland capituleerde. Maar op die dag vond slechts vooroverleg plaats tussen de Canadese Generaal Charles Foulkes namens de geallieerden  en Opperbevelhebber Johannes Blaskowitz namens Duitsland. Bij deze besprekingen was ook Prins Bernhard aanwezig als vertegenwoordiger van de Binnenlandse Strijdkrachten. Hij zou later in Wageningen het defilé afnemen van de oorlogsveteranen.

De Duitse opperbevelhebber kreeg 24 uur uitstel voor de ondertekening om zich te beraden. De volgende dag is de capitulatie ondertekend. De pen die de Canadese generaal gebruikte, werd een symbool van de overwinning op de Duitsers. De pen kreeg hierdoor grote betekenis vergelijkbaar met het ‘stokske van Oldebarneveld’ of de kist van Hugo de Groot. Ook van de pen zijn meerdere echte exemplaren. Zowel het Canadese oorlogsmuseum in Ottawa als het Museum de Casteelse Poort in Wageningen hebben een exemplaar van de bewuste pen.
 
Tot 1990 werd de bevrijding elke vijf jaar herdacht. Pas in 1990 werd vijf mei een nationale feestdag. Dat betekende dat vanaf die tijd de bevrijding jaarlijks herdacht werd. In 1999 is ook een speciale dag vastgesteld voor de herdenking van de Japanse capitulatie. In Nederland mag op 15 augustus de vlag in top om deze gebeurtenis te herdenken.

Bevrijdingsdag is niet automatisch een vrije dag. De regering heeft in 1990 bepaald dat werkgevers en werknemers daar gezamenlijk afspraken over moeten maken. Het vrij zijn op bevrijdingsdag kan ook in de CAO geregeld worden. Overheid en semi-overheisdinstellingen zijn over het algemeen op 5 mei gesloten en de werknemers krijgen vrijaf, bijvoorbeeld de employees van de Nederlandse Bank in Amsterdam.

De viering van de bevrijding vindt vooral plaats met muziekoptredens. De oudste bevrijdingsfestivals zijn in Haarlem en Wageningen. In de hoofdstad van Noord-Holland is sinds 1980 elk jaar het festival Bevrijdingspop te bezoeken. In Wageningen heet dit muziekgebeuren het Bevrijdingsfestival. Ook andere provincies hebben sinds 1994 een bevrijdingsfestival, dat georganiseerd wordt door het Nationale 4 en 5 Mei Comité. De festivals zijn meestal gratis te bezoeken.

Op bevrijdingsdag hoort ook de vlag uitgestoken te worden, maar zonder oranje wimpel. De vlag moet opgehangen worden met zonsopgang en binnengehaald worden als het donker is. Vuistregel is dat als er geen onderscheid meer gemaakt kan worden tussen de afzonderlijke kleuren de vlag naar binnen moet. 

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (4 mei 2009)

 

Wat herdenken wij op 4 mei? 

Op 4 mei is het de Nationale Dodenherdenking. 's Avonds wordt om 20.00 uur 2 minuten stilte gehouden. Dan herdenken wij iedereen die in de Tweede Wereldoorlog en in andere oorlogssituaties en vredesoperaties is omgekomen, zowel militairen als burgers. Naast 2 minuten stilte moet de vlag dan ook halfstok hangen.

In Nederland wordt de Nationale Dodenherdenking op de Dam in Amsterdam gevierd. In de Nieuwe Kerk komen slachtoffers en nabestaanden bijeen om de doden te herdenken en om 20.00 uur precies legt Koningin Beatrix bij het Monument op de Dam een krans, gevolgd door trompetgeschal. Daarna zijn er nog meer toespraken, onder andere door regeringsleiders en door jongeren. Tegenwoordig leest een jongere een zelfgemaakt gedicht voor. Dan volgt het defilé.

De dag erop is het Bevrijdingsdag. Nederland is het enige land dat dodenherdenking en bevrijdingsdag in twee dagen achter elkaar herdenkt. Frankrijk heeft bijvoorbeeld twee dagen waarin het de slachtoffers uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog herdacht worden.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (4 mei 2009)

 

Wie was een groot voorstander van koninginnedag? 

koningshuis

Koninginnedag is ooit ‘uitgevonden’ om het koningshuis symbool voor de nationale eenheid te laten worden. J.W. Gerlach, hoofdredacteur van het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad kwam in 1885 met dat idee. Na de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in 1898 werd er voortaan elk jaar koninginnedag gevierd. Koningin-gemalin Emma stond aan de wieg van deze nationale dag, omdat zij het koningshuis nieuw elan gaf.

Prinses Emma van Waldeck-Pyrmont (1858-1934) had thuis in Duitsland een gedegen, brede, christelijke opvoeding genoten. Ze was leergierig en sociaal bewogen. Voordat ze naar Nederland verhuisde, kreeg Emma les in de Nederlandse taal en geschiedenis, want ze wilde Nederlander worden en blijven.
In 1879 trouwde ze met Koning Willem III en in 1880 kregen ze een dochter Wilhelmina. Willem III was een heel moeilijke man en stond bekend om zijn woedeaanvallen. Van zijn eerste vrouw Sophie van Wurttemberg leefde hij tot haar dood gescheiden van tafel en bed. Zij hadden drie zonen, die alle drie jong stierven.

Toen Emma als twintigjarige in 1879 in het huwelijk trad met de tweeënzestigjarige koning Willem III werd ze niet direct hartelijk ontvangen in Nederland. De meeste mensen wantrouwden het onbekende Duitse prinsesje en dachten dat ze om het geld getrouwd was. Maar Emma bleek een toegewijde echtgenote. De eerste jaren van haar huwelijk leidde ze een onbezorgd leven en besteedde ze veel tijd aan haar grote hobby: houtbewerking. Daarnaast wijdde ze zich volledig aan de opvoeding van haar ‘Wimmy’. Later, toen de gezondheid van de koning sterk achteruitging, bleek zij een uitstekende verpleegster voor hem te zijn. Ze toonde groot plichtsbesef en hield oog op de door de koning te verrichten taken.

Na zijn dood in 1890 werd ze acht jaar lang regentes voor haar dochter. Zij was de eerste vrouw die deze functie bekleedde. In eerste instantie heerste er een zekere twijfel over het regeren door een vrouw. Regentes Emma had ook een zacht imago. Dat kwam onder andere door haar vriendelijke uitstraling en haar sociale bewogenheid. Maar achter dat kanten mutsje en het onschuldige gezicht ging een zeer intelligente vrouw schuil, met een sterke wilskracht. In een door mannen gedomineerde omgeving wist zij zich door hard te werken, prima staande te houden.

Emma had ook heel goed begrepen dat Oranje een nieuwe impuls nodig had, omdat het aanzien onder Willem III ernstig was beschadigd. Om de band met het volk weer aan te halen, reisde Emma, met Wilhelmina het land door. De vertedering die het jonge prinsesje opwekte, tijdens de vele ‘blijde inkomsten’ had het gewenste positieve effect. Hiermee wist Emma het respect voor de koninklijke familie te herstellen.

Emma toonde ook veel belangstelling voor de ziekenzorg en verpleging, vooral van tbc-patiënten. Na haar terugtreden als regentes had de inmiddels zeer populaire vorstin meer tijd voor liefdadigheid en stelde ze zelfs haar landgoed in Renkum ter beschikking als sanatorium. Verder reisde ze veel, onderhield ze contacten met politici en diplomaten en volgde ze de staatkundige activiteiten van haar dochter op de voet. In haar laatste jaren, hield Emma, bekend als ‘de liefste oude dame van Europa’, zich graag bezig met handwerken en ontwierp zij eigen patronen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (27 april 2009)

 

Wat vieren wij met Pasen? 

pasen

Op Pasen wordt herdacht dat Jezus is opgestaan uit de dood. Op Goede Vrijdag is hij gestorven. Zijn moeder Maria heeft hem van het kruis gehaald en hem naar zijn laatste rustplaats gebracht. Op Stille Zaterdag rust hij in een graf, afgesloten met een grote steen.

Op Pasen zien een aantal vrouwen, die kwamen om Jezus te balsemen, dat de steen is weggerold en dat het graf leeg is. Een engel vertelt hun dat Jezus is opgestaan. Voor Christenen is dit het teken dat de dood niet het einde van het leven is. Ze geloven in een eeuwig, gelukkig leven na de dood zonder pijn of verdriet.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (6 april 2009)

 

Wat vieren wij op Goede Vrijdag? 

pasen

Op Goede Vrijdag herdenken Christenen de dood van Jezus aan het kruis. Na het Laatste Avondmaal op Witte Donderdag is Jezus gevangen genomen door de religieuze leiders van Jeruzalem. Zij verwijten hem dat hij zich de zoon van God noemt. Hij wordt door de Romeinse gezaghebber ter dood veroordeeld. Dan begint zijn lijdensweg. Met zijn kruis op zijn rug beklimt hij de berg Golgotha. Daar wordt hij samen met twee misdadigers gekruisigd.

Op Goede Vrijdag staan de kerkklokken stil en mag het orgel niet spelen. In kerken wordt de Mattheuspassion gezongen. Goede Vrijdag heet goed, omdat Jezus op die dag gestorven is om ieder mens te verlossen van zijn zonden. 

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (6 april 2009) 

 

Wat is de betekenis van Witte Donderdag? 

pasen

Witte Donderdag valt in de Goede Week, de week voor Pasen. Op Witte Donderdag vond het Laatste Avondmaal plaats. Jezus wist dat hij ging sterven en gebruikte de maaltijd met zijn apostelen. Hij brak het brood en deelde dat uit: 'Dit is mijn lichaam.' Hij liet ook een beker wijn rond gaan: 'Dit is mijn bloed'.

Witte Donderdag wordt wit genoemd, omdat de priester tijdens de mis een wit kazuivel draagt. De kleur wit staat voor goed, heilig en zuiver. Wit is ook de kleur van het nieuwe begin.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (6 april 2009)

 

Waren eten wij veel eieren op Pasen? 

pasen

Het ei op Pasen staat symbool voor de opstanding van Jezus uit de dood. Naast een belangrijk christelijk feest werd op Pasen ook het nieuwe goede seizoen gevierd. Na een lange winter keken mensen daar heel erg naar uit. Eieren staan dus ook symbool voor de lente en nieuw leven.

Op Pasen probeerde men zoveel mogelijk eieren te krijgen. Boeren gaven mooi versierde eieren weg aan armen en ouden van dagen. De pastoor, dominee en andere notabelen lieten hun dienstmeid eieren ophalen bij de boeren. Jongelui deden mee aan de vele spelletjes om eieren te winnen: eieren tikken, eieren rollen, eieren gooien, eieren eten en eieren dansen.

Eieren zouden, na een veertigdaagse vasten en een winter met een tekort aan voedsel, helpen om weer sterk te worden.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (6 april 2009)

 

 

Waar komt de uitdrukking 'Abraham zien' als je vijftig jaar wordt vandaan? 

abraham

Als iemand 50 jaar wordt, zegt men: 'Hij heeft Abraham gezien'. Dit is gebaseerd op een citaat uit de bijbel. In het evangelie van Johannes (VIII:56) staat: 'Gij zijt nog geen vijftig jaar en hebt Abraham gezien?' Men concludeerde daaruit dat iemand op zijn vijftigste verjaardag Abraham zou zien. Abraham was één van de aartsvaders.

Aanvankelijk gold het Abraham zien voor vijftigjarigen van beide geslachten. In de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde voor vrouwen Abraham in Sara. Sara was de vrouw van Abraham.

Het betekent eigenlijk dat iemand die 50 jaar werd tot de raad van wijzen ging behoren. Vroeger was levenswijsheid ontzettend belangrijk en in heel veel culturen kreeg je dan status. In onze westerse maatschappij is jong zijn de norm.

Als er een oplossing gezocht worden bijvoorbeeld voor een vete tussen doprelingen onderling, dan kwam de raad van ouderen bij elkaar en vertelden dan met hun wijsheid wat het dorp moest doen.

Vooral in West-Friesland en Noord-Holland was het in de 19e eeuw een gebruik iemand die 50 jaar werd een 'Abrahamkoek' te geven. Deze werd mooi versierd en er zat een gedicht bij, waarin de jarige geplaagd werd. Zijn of haar leven werd er in besproken en de goede en slechte kanten werden belicht.

Er wordt ook gezegd dat als je 50 jaar wordt je dan weet waar Abraham de mosterd vandaan haalt. Dat betekent niets anders dan dat je wijs bent en dat je het recept van mosterd dat van de ene generatie op de andere generatie werd doorgegeven kende. Want mosterd was vroeger heel belangrijk. Dus een recept van een goede mosterd was goud waard en werd dan ook geheim gehouden. Vandaar dat als je 50 jaar wordt, mag weten waar Abraham de mosterd vandaan haalt

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (30 maart 2009)

 

Hoe maak je een abrahamkoek? 

abraham

Wat heb je nodig:
- 600 gr bloem
- 1/2 pakje bakpoeder = ongeveer 8 gram
- 300 gr bruine basterdsuiker
- 20 gr speculaaskruiden
- beetje zout
- ongeveer 300 gr gekoelde boter in schijfjes
- 200 gr amandelspijs
- 50 gr gehakte walnoten
- 1 ei
- wat glazuur
- geconfijte kersen

Bereidingswijze
De bereidingswijze van een Abrahamskoek van ongeveer veertig centimeter hoogte is als volgt: zeef 600 gram bloem met een half zakje bakpoeder (8 gram), 300 gram bruine basterdsuiker, 20 gram speculaaskruiden en klein beetje zout in een grote kom. Snijd er 300 gram gekoelde boter in schijfjes doorheen en kneed het - met hele koude handen - tot deeg. Handig is ook om de schaal onder heel koud water te houden. Dek het deeg af en zet het 12 uur lang op een koele plek.

Deel dan het deeg in twee stukken. Rol het deeg uit tot twee lappen op een met bloem bestrooid werkblad. Snijd uit deze deeglappen (met een mal of met de hand) een Abrahamsfiguur. Verdeel 250 gram amandelspijs over één van de lappen, maar houd aan de randen een centimeter vrij. Druk 50 gram gehakte walnoten in het spijs. Bevochtig de rand met water en leg dan de lege deeglap op de bewerkte lap. Druk de rand vast en versier de pop met wat amandelen (denk aan de neus). Bestrijk de pop met de inhoud van een ei. Verwarm de oven op 175 graden en bak de Abraham in veertig minuten gaar. Laat de pop afkoelen en roer 100 gram poedersuiker met wat koud water tot een dik glazuur om de pop te versieren. Gebruik voor de ogen het ronde gedeelte van twee door midden gesneden gekonfijte kersen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (30 maart 2009)

 

Sinds wanneer vieren wij verjaardagen? 

verjaardag

Verjaardag vieren is een recente traditie. Met name de kinderverjaardagen – met cadeautjes, verjaardagstaart, versierde stoel, liedjes zingen en trakteren op school – hebben zich pas in de 20ste eeuw ontwikkeld. Tot in de 19e eeuw vierde men geen, of alleen heel sober, verjaardagen. Een geboortedag was niet belangrijk.

In Limburg werd de naamdag gevierd, de feestdag van de heilige waarnaar men genoemd was. De kinderen kregen een snee krentenbrood of peperkoek met daarin wat bloemen gestoken. In Zeeland vierde men pas een verjaardag als een kind tien jaar werd. In het noorden en oosten bond men met een strik een koek aan de arm van de jarige. In Utrecht en Gelderland kreeg de jarige job krakelingen om zijn nek om te trakteren.

Pas vanaf het begin van de 20e eeuw wordt de geboortedag gevierd. De popularisering is voor een deel te danken aan de leerkrachten die aandacht gingen besteden aan kinderen die jarig waren. De jarige werd toegezongen met Lang zal ie leven en er werd getrakteerd. Na de Tweede Wereldoorlog wordt de taart en het uitblazen van de kaarsjes een vast onderdeel van verjaardagen. Het is een simpel overgangsritueel om het begin van een nieuw jaar te markeren.

Het lied Lang zal ie leven is geschreven door de heer Jansen uit Kootwijk (geboren in 1901). Hij heeft er drie maanden over gedaan. Mijnheer Jansen zong het lied elke dag. Het heeft geholpen, want hij leefde nog in 2002. Zijn nabestaanden krijgen 1 euro elke keer als het lied op de radio te horen is.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (23 maart 2009)

 

Sinds wanneer brengt de ooievaar de kindertjes? 

geboorte

Deze week ligt het nummer over geboorte in de reeks het Alledaagse leven. Tradities en trends in Nederland in de winkel. De titel is Kraamkamer en kandeel.

De bekendste kindertjesbrenger is de ooievaar. Deze vogel is relatief pas laat populair geworden in Nederland. Als symbool voor geboorte is hij op het einde van de achttiende eeuw uit Duitsland geïmporteerd. Er zijn veel versjes over deze vogel.

Ooievaar, ooievaar, pielepoot
Brengt een kindje op moeders schoot

Ooievaar, lepelaar, stokkendief
Breng een kindje in de wieg

De ooievaar werd als kindertjesbrenger heel populair na de geboorte van prinses Juliana in 1909. Zij had een ooievaar op haar geboortekaartje staan. De ooievaar van Juliana was niet zomaar een ooievaar, maar een vogel die geridderd was. Hij kondigde per telefoon, een nieuwigheid in die dagen, haar geboorte aan:

De leverancier van de kroon,
Bedient zich reeds van de telephoon,
Goed ingericht en naar den eisch,
Direct verbonden met ´t Paleis,
Om zonder fout ter juiste ure,
´t Vorstelijk geschenk te sturen.

Het verhaal van de ooievaar was trouwens ook een handige manier om te verklaren waarom moeder ziek was. De ooievaar had haar in het been gebeten, vandaar dat ze in bed lag.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (2 maart 2009)

Ineke Strouken, 'Kraamkamer en Kandeel', in: het Alledaagse leven Tradities & Trends in Nederland, deel 8, www.hetalledaagseleven.nl  

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (9 maart 2009)

 

Wat is een Hansje in de kelder? 

geboorte

Vroeger had het krijgen van kinderen een ander belang dan nu. Kinderen waren nodig om als ze groot waren mee te helpen bij het verdienen van de dagelijkse kost. Het allerbelangrijkste was dat men door kinderen te hebben, zich verzekerd had van een rustige oude dag. Als je niet meer kon werken, zorgden de kinderen voor je. Pas met de komst van de AOW in 1957 hoefden mensen na hun 65ste niet meer te werken.

Als een echtpaar geen kinderen had, dan was een huwelijk niet geslaagd. Van een vrouw werd dan gezegd: ze is een onvruchtbare akker. Daarom probeerde men het krijgen van kinderen te beïnvloedden. Bij een huwelijk werden aartjesgeschenken gegeven. Een aartjesgeschenk is een klein poppetje verpakt in een serie dozen. Dit is te vergelijken met een hedendaags gebruik om op een bruidstaart een bruidspaartje te zetten en als je dat opzij klapt dan zit daaronder een doosje met kleine blote poppetjes. Andere middelen om de vruchtbaarheid op te wekken waren het maken van een bedevaart naar Scherpenheuvel bijvoorbeeld of te bidden tot de Heilige Anna of de Heilige Colete. Meer kon je niet doen.

Als de vrouw zwanger was, dan werd het eerst geheim gehouden, totdat ze minstens drie maanden ver was. Men was bang dat het mis zou gaan als het eerder aan de buitenwacht bekend gemaakt zou worden. Uit bijgeloof sprak men niet van zwangerschap, maar van gezegende omstandigheden. Een zegen weert de boze geesten af.

In de zeventiende en achttiende eeuw hadden gegoede mensen een bijzondere manier om bekend te maken dat er een kleintje op komst was. Tijdens een feestelijke bijeenkomst met familie, buren en vrienden schonk de aanstaande vader wijn uit een Hansje-in-de-kelder in. Een Hansje-in-de-kelder is een kelk met in het midden een aardbol met een kindje er in. Als er wijn in de kelk geschonken werd dan kwam het kindje, Hansje, naar boven. Iedereen wist dan zonder dat er over gepraat werd, dat er een kleintje op komst was. Hansje stond symbool voor de ongeboren vrucht in de moederschoot. De Hansjesbeker ging rond en iedereen dronk op het goede verloop van de zwangerschap en bevalling onder het zingen van:

Men drinkt, als ’t komt te pas
kaneelwijn frisch en helder
Geluk aan de Echtgenoot
Met Hansje in de kelder

Ineke Strouken, 'Kandeel en Kraamkamer', in: het Alledaagse leven, deel 8.  

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (2 maart 2009)

 

Wat vieren wij met Carnaval? 

carnaval

 
In de Middeleeuwen vierden vooral monniken, kloosterzusters en kanunniken op vastenavond een zottenfeest. Men voerde omkeringsrituelen uit waardoor ondergeschikten het tijdelijk voor het zeggen kregen. Men bespotte en ontheiligde alles wat normaal heilig en eerbiedwaardig was. Men droeg spotmissen op met grof erotische preken in namaaklatijn. In het wierookvat smeulden schoenzolen en wijwater verving men door urine. De abten en andere hoge pieten kregen emmers water over het hoofd en hen werd de broek van de billen getrokken als ze een zottenspel verloren.

Via de zottenfeesten van de stedelijke kapittelkerken kwam het feest in de veertiende eeuw buiten op straat. De nieuwe zich emanciperende burgerij in de steden pakte het feest op, gaf het vanaf de vijftiende eeuw een nieuwe betekenis en gebruikte het als gereedschap voor het inslijpen van een nieuw normen- en waardenpatroon. Met de Blauwe Schuit, een soort feestwagen met toneelspelers, werden ondeugden als verspillende edellieden, opgewonden vrouwen, overspelige mannen, luie donders en klaplopers symbolisch de stad uit gevoerd. Carnaval was een reinigingsritueel voor de stad.

Onder invloed van de Reformatie en Contrareformatie versoberde de feestcultuur in steden. Het feest verdween van straat en men vierde vastenavond voornamelijk binnenshuis. Op vastenavond nam men het er nog even van: pannenkoeken, worst, spek en drank stonden op tafel. Men vrat zich nog een keer rond, voordat de schrale tijd van de veertigdaagse vasten aanbrak. Op schilderijen werd dit verbeeld met de vette en de magere keuken en de strijd tussen Vasten en Vastenavond.

In de 18e eeuw kwam aan dit volksfeest een einde. De burgerij ging zich distantiëren en zij werd daar in gevolgd door de lagere klassen, al bleven de rommelpotlopers nog lang langs de deuren gaan.

In de 19e eeuw kwam er een ommekeer vanuit Duitsland. Daar werden carnavalsverenigingen opgericht, die naar middeleeuws gebruik vastenavond gingen vieren. In 1839 werd in Maastricht de eerste Nederlandse carnavalsvereniging opgericht: Momus. Gevolgd in 1842 door Jocus in Venlo. Kenmerkend voor deze carnavalverenigingen is dat aan het hoofd een Prins en een Raad van Elf staan. Deze organisatie moet het spontane feest in goede banen lijden, zodat overheid en kerk zich er niet meer aan hoeven te storen.

De betekenis van het feest verschoof in de twintigste eeuw naar een feest dat gedragen door carnavalsverenigingen vooral een lokale invulling kreeg. Het carnaval bevestigde de identiteit van inwoners. In de optocht namen de carnavalisten plaatselijke autoriteiten met kolderhumor op de korrel.

In de jaren zestig en zeventig nam het aantal carnavalsverenigingen explosief toe. Ook boven de Moerdijk. Carnaval paste goed bij de anti-autoritaire houding van de jeugd. Met carnaval werden de grenzen van de vrijheid verkent en opgerekt. Veel van deze verenigingen zijn in de jaren tachtig en negentig weer van het toneel verdwenen.

In Noord-Brabant en Limburg is het feest een levende traditie. Het zuiden van Nederland ligt plat in de carnavalsweek tot Aswoensdag als men harig gaat eten en symbolisch het vlees vaarwel zegt en de Vasten begint. Carnaval is nu ook een belangrijke uitlaatklep en ventiel voor spanningen in het individuele bestaan.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (16 en 23 februari 2009) 

 

Wie was de Heilige Valentijn? 

valentijn

De viering van de heilige Valentijn is pas aan het eind van de Middeleeuwen voor het eerst opgetekend. Niet in Nederland, maar in Engeland. Vandaar verspreidde het ‘valentijngeloof’ zich naar Amerika. In Europa wordt Valentijn pas populair in de 19e eeuw. En in Nederland is pas in de twintigste eeuw sprake van een echte viering.

De man die de dag zijn naam heeft gegeven is of Valentijn van Rome of Valentijn van Terni of Valentijn van Passau. Het is niet duidelijk, wie van de drie model heeft gestaan voor de figuur op de heiligenkalender van de katholieke kerk. Valentijn heeft dan ook het Tweede Vaticaanse Concilie in de jaren zestig niet overleefd en verdween in 1969 van de kalender. Nu vieren we op 14 februari de dag van twee heiligen: Cyrillus en Methodius uit de 9de eeuw.

Valentijn van Rome zou priester geweest zijn in de hoofdstad van het Romeinse Rijk toen het Christendom zich begon te verspreiden. Valentinus trouwde, volgens de legenden, in het geheim soldaten. De keizer Keizer Claudius II (keizer van 268-270) verbood trouwen, omdat dat de vechtlust van de soldaten negatief zou beïnvloeden. Toen de keizer merkte dat Valentijn dat negeerde werd hij furieus en liet hem oppakken, in de gevangenis gooien en op 14 februari 268 terechtstellen.

Hoewel het soldatenverhaal niet te bewijzen is, kan worden aangenomen dat er wel een Valentijn in Rome vervolgd en veroordeeld is voor zijn geloof. Valentijn was een invloedrijke Romein, die koos voor het Christendom en door Claudius II  opgepakt werd. Voor een tribunaal werd hij ondervraagd over zijn nieuwe bekering. Valentijn noemde de Romeinse goden Mercurius en Jupiter mislukkelingen. Men besloot nog niet tot actie over te gaan, maar bracht hem voor een tweede tribunaal. De rechter daagde Valentijn uit. Als Christus het enige ware, unieke en enige licht is, genees dan dit blinde meisje. Valentijn legde zijn handen op haar ogen en zei: ‘Oh Jezus Christus die het ware licht zijt, laat deze blinde opnieuw zien’. En het meisje kon weer zien. Rechter Asterius was overtuigd en liet zijn hele familie tot het Christendom bekeren.

Maar Keizer Claudius was minder onder de indruk. Hij liet Valentinus niet gaan, maar beval zijn onthoofding in 268. Zijn stoffelijke resten begroef men langs de Via Flaminia bij de 2de mijlpaal. In 350 na Christus bouwde men daar een Basiliek voor de heilige. De resten zouden later overgebracht worden naar de kerk van de heilige Praxedes.  

Rond zijn gevangenschap is later een aantal liefdesverhalen geborduurd. Zo zou hij verliefd zijn geworden op de dochter van een medegevangene of van de cipier. Hij had deze dochter, Julia, genezen van haar blindheid. Priester en dochter werden verliefd op elkaar en schreven elkaar vurige brieven, volgens sommigen zelfs in de vorm van een hart. De laatste brief schreef Valentinus vlak voor zijn terechtstelling. Hij ondertekende met: 'Van je Valentijn'. 

Andere legenden beschrijven Valentijn als kindervriend, die kinderen in zijn tuin ontving en bloemen uitdeelde. Maar ook mensen die om raad kwamen vragen, gaf hij een bloem mee. Toen Valentijn in het gevang belandde om zijn geloof kwamen de kinderen hem door de tralies tuiltjes bloemen brengen.

De tweede heilige die voor de Valentijn van 14 februari in aanmerking komt, is de bisschop van Interamna (nu Terni) in Umbrië. Hij zou net als de eerder genoemde Valentijn onthoofd zijn, maar wel vijf jaar later in 273. Opmerkelijk is dat deze martelaar vooral bekend staat als bloemenliefhebber.
Hij deelde die vrijgevig uit aan mensen die hem bezochten. Tijdens een bezoek aan Rome werd hij opgepakt. Op een dag, zo gaat de legende, riepen mensen zijn hulp in voor de genezing van een kreupel meisje. Hij legde het meisje de handen op en ze genas wonderbaarlijk. Het meisje en haar familie lieten zich daarop dopen. Toen hij Rome weer wilde verlaten, namen Romeinse soldaten hem  gevangen en werd hij terechtgesteld. Zijn resten werden daarna naar Terni gebracht en begraven langs de Via Flaminia bij de 63e mijlpaal. De overeenkomsten met de priester Martelaar Valentijn zijn duidelijk. Het is niet onwaarschijnlijk dat het hier om een en dezelfde Valentijn gaat.

Valentijn van Passau is de bisschop-heilige waar het minst over bekend is. Hij zou geleefd hebben in de vijfde eeuw en gestorven zijn op 7 januari 470 of daaromtrent. Latere schrijvers hebben hem gesitueerd in Passau, maar ook in Afrika. Hij was aanvankelijk een weinig succesvol missionaris. De mensen in Passau (Duitsland) verachtten hem. Uiteindelijk zou hij zich teruggetrekken in Zuid-Tirol waar hij wel succes had en een klooster zou stichten.
In de 667 liet Hertog Tassilo III zijn resten naar Passau overbrengen. In de Sint Stefanuskerk in Passau bevinden zich nog steeds de relikwieën van deze heilige Valentinus.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (9 februari 2009)

 

Waar komt het woord zout vandaan? 

zout

Zout komt in de natuur voor als steenzout (dat is op plaatsen waar in het verleden een binnenzee is opgedroogd) en in zeewater. Het woord zout komt van het Duitse woord Salz. In Salzburg was namelijk een bekende zoutwinning.

De Romeinen haalden al zout uit zee. Dat deden ze door zoutpannen aan te leggen. Dat waren lage muurtjes in zee met daarachter vierkante bekken of kuilen. De zee stroomde over de muurtjes in de steeds kleiner wordende bekken. Doordat het water door de zon werd verhit, verdampte het water tot dat er alleen zout over was.

De eerste keer dat er in Nederland zout gewonnen werd was in 1886 in Delden.
Pas na de Eerste Wereldoorlog werd er veel werk gemaakt van een eigen Nederlandse zoutwinning (in Hengelo, Twente en in Veendam). Zout werd tot die tijd vooral uit Duitsland geïmporteerd. In de Eerste Wereldoorlog was de import gestagneerd en was er een groot tekort aan zout. Zout was vroeger onontbeerlijk voor het goed houden van voedsel, als smaakmaker, maar ook als medicijn. Een gewoon arbeidersgezin in de negentiende eeuw gebruikte ongeveer een half pond zout per week. Dat zouden wij nu heel ongezond vinden.

Zout was zo belangrijk dat het ook als betaalmiddel diende. Romeinse legionairs kregen salaris, dat betekende een zoutrantsoen. Daar komt ons woord salaris dan ook vandaan. ‘Hij verdient het zout in de pap niet’, is een gezegde dat daarop slaat.

Op zout is vanaf de middeleeuwen tot in de negentiende eeuw ook accijns geheven. Dat wil zeggen dat er belasting over betaald moest worden. Daar zijn leuke verhalen over. Zout moet droog bewaard worden, anders wordt het klonterig. In de vochtige huizen vroeger werd zout dicht bij het open vuur bewaard. Omdat mensen het betalen van zoutbelasting weleens ontdoken, vielen ambtenaren onverwachts binnen om te kijken of je niet zout in huis had waarover geen belasting betaald was. Daarom werd zout graag onder de stoel van de meid bewaard. Die zat dan lekker dicht bij het vuur op het zout te passen.

Nog een mooi verhaal dat met zout te maken heeft.
De Engelse koning Karel I werd in 1651 onthoofd na een opstand door het Engelse parlement onder leiding van Olivier Cromwell. In 1806 onderzocht de lijfarts van de Britse Koninklijke familie het lichaam. Hij ontvreemde de vierde nekwervel waar de bijl van de beul doorheen gegaan was en gebruikte het dertig jaar lang als zoutvaatje. Toen Koningin Victoria hiervan hoorde, gaf ze meteen bevel de nekwervel terug te geven.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (2 februari 2009)

 

 

Wat is een vadermoordenaar? 

vadermoordernaar

Ouderen onder u weten wel wat ik bedoel. Een heel enkele keer zie je nog wel eens iemand die de vadermoordenaar draagt, maar dan wel met een mooi strikje.

De vadermoordenaar was de opstaande boord bij een herenoverhemd. Hij werd vooral gedragen bij smoking en rokkostuum.

De vadermoordenaar is een herenhalsboord. Het is de boord van een overhemd dat heel stijf gesteven werd. Zo stijf dat de punten op stonden.
Dat droeg natuurlijk niet lekker en schuurde langs de nek. Vandaar de naam.

Pas in de late middeleeuwen kwamen er kragen in het gebruik. Rond 1820-1840 kwam de vadermoordenaar in zwang.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (26 januari 2009)

 

Wie is de beschermheilige van de schaatsers? 

sint ludwina

Aan de hand van archeologische gegevens vermoeden wij dat er al in de prehistorie werd geschaatst. De schaatsen waren toen gemaakt van botten van paarden, runderen of herten. De eerste schaatsen werden glissers genoemd. Een glis is een rib. Ook werden wel scheenbenen gebruikt om schaatsen van te maken. In het bot werden vier gaten geboord. Hierdoor werden touwtjes van pees of palingvellen getrokken. Er werden stokken gebruikt om zich af te zetten. Botschaatsen of glissers werden in alle landen in Europa waar 's winters ijs lag gebruikt. In Nederland werd er tussen 800 en 1200 veel geschaatst op botten. Op schilderijen van Pieter Breughel de Oude (rond 1565) zijn nog botschaatsen, maar ook priksleeën van paardenkaken, te zien.

Rond 1400 deed het glij-ijzer zijn intrede. Dat was een houten schaats met een ijzeren glij-ijzer.
In de negentiende eeuw kende men drie soorten schaatsen:
- Friese schaats
- Hollandsche krulschaats
- Zuid-Hollandsche baanschaats
De Hollandse schaatsen waren om te zwieren en hadden een krul aan de voorkant, de Friese schaats was om snel mee te schaatsen. Deze laatste had een hoge houten hals.

Lidwina ofwel Liduina van Schiedam is de patroonheilige van de chronisch zieken én van de schaatsers. Ze leefde van 18 maart 1380 tot 14 april 1433. Haar feestdag is op 14 juni. In 1890 werd ze door Paus Leo XIII heilig verklaard. Lidwina kwam, toen zij 15 jaar oud was, ten val op het ijs. Hierdoor raakte zij verlamd. Heel haar verdere leven was zij aan bed gekluisterd. Daar kreeg ze veel bezoek en door haar montere houding was zij een troost voor chronisch zieken. Na haar dood werd haar graf een pelgrimsoord. Haar leven werd beschreven door Thomas a Kempis (Vita Lidewigis) en door Johannes Brugman.

Lidwina was het enige meisje in een gezin met verder acht jongens, Haar vader en moeder waren Peter en Petronella. Het beroep van haar vader was nachtwaker. Het was dus een eenvoudig gezin. Lidwina was een godsvruchtig meisje, dat haar leven aan God wilde geven. Op 15-jarige leeftijd ging ze met wat vriendinnetjes schaatsen op de dichtbevroren Maas in Schiedam. Het was de strenge winter van 1394-1395. Ze kwam ongelukkig ten val en brak een rib. Thuis werd ze op bed gelegd, maar zoals in die tijd bij armen de gewoonte was, moest de kwaal vanzelf genezen, want een dokter was te duur. Lidwina kreeg er koudvuur bij en raakte voor haar leven verlamd. Koudvuur (gangreen) is een infectie, waarbij vanuit een wond ook het gezonde vlees wordt aangetast.

In het begin at Lidwina nog wel wat appel en brood en dronk ze water uit de Maas. Later wilde ze alleen nog de Heilige Hostie innemen. Ze kon geen voedsel meer binnenhouden en kreeg overal gezwellen. Ze werd doof en kon niet meer lopen. In het begin verzette ze zich tegen haar ziekte, maar later berustte ze in haar lijden. Ze kreeg stigmata, wonden op de plaatsen waar Jezus aan het kruis genageld was, dus op de voeten en handen. Die wonden gingen spontaan bloeden en dat bloed bleek een geneeskrachtige werking te hebben. Hierdoor kon Lidwina andere mensen genezen. Toen dat bekend werd, gingen veel mensen Lidwina opzoeken.

Na 38 jaar helse pijnen te hebben verdragen, stierf Lidwina. Op haar begrafenis kwamen mensen van heinde en verre. Er werd een kapel om haar graf gebouwd, die als pelgrimsplaats dienst deed.
 
Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (19 januari 2009)

 

Wat zijn de weerspreuken voor januari? 

avercamp

De belangrijkste weerspreuk voor januari is: 'Als de dagen lengen, gaat de winter strengen'. Januari en februari golden vroeger als de moeilijkste maanden van het jaar. Na de donkere midwinterperiode werden in januari en februari de dagen weer langer en de nachten korter. Daardoor lijkt het alsof de winter voorbij is. Toch golden deze maanden als een moeilijke periode. Het kon erg koud zijn (meestal kouder dan in december), het voedsel begon al schaars te worden en er waren geen feesten om de boel wat op te vrolijken.

Andere weerspreuken zijn:
- Geeft januari een sneeuwtapijt, dan zijn wij gauw de winter kwijt.
- Januari zonder regen, is voor de boer een zegen.
- Knapt januari niet van de kou, dan zit men in de oogstmaand in de rouw.

Als je naar de winters van vroeger kijkt, dan is heel goed te zien dat er veel veranderd is. De winters zijn veel warmer geworden. Oudere mensen kunnen nog vertellen over winters, waarbij ze 's morgens wakker werden met hun adem bevroren op de deken, over grote ijspegels aan het raam en over dat het zo koud was op de wc dat hun billen bijna aan de wc bril vastvroren. Aan de ene kant heeft dat te maken met het feit dat de huizen beter verwarmd worden en geïsoleerd zijn, aan de andere kant zijn de winters lang niet meer zo koud dan vroeger.

Dat kun je bijvoorbeeld zien aan de schilderijen. Pieter Breughel de Oude schilderde in 1565 voor het eerst een winters landschap. De winter van 1564/1565 was één van de koudste winters ooit. Het was een Siberische koudegolf. De rivieren Rijn, Maas en Schelde vroren in december al dicht en paarden zakten tot hun buik in de sneeuw. Deze strenge winter viel in de Kleine IJstijd, die duurde van circa 1450 tot 1700. Overal in Europa was het zeer koud. De winters werden langer en er was meer ijs en sneeuw. Ook andere schilders, zoals Hendrick Avercamp, hebben de koude Nederlandse winters geschilderd.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland ( 12 januari 2009)

 

Wie waren de Driekoningen? 

driekoningen reliekschrijn

In mijn jeugd hadden wij naast een kerstboom ook een kerststalletje. In de kerstnacht mochten wij kindje Jezus in de kribbe leggen. Op Driekoningen, 6 januari, kwamen daar de Driekoningen met hun kamelen en gevolg bij. Met Driekoningen wordt de kersttijd afgesloten. Dit feest wordt ook wel Epifanie genoemd en ontstond in de vierde eeuw na Christus.

Of het koningen of wijzen waren, weten wij niet. De Evangelist Mattheüs (2: 1-18) vermeldt het verhaal dat wijzen uit het oosten Jezus in Bethlehem kwamen bezoeken. Maar hij vertelt niet hoeveel wijzen het waren. Later zijn wij gaan denken dat het drie wijzen waren, waarschijnlijk door de cadeaus: goud, mirre en wierook. In Jesaja (60.3.6) wordt gesproken over koningen.

In de achtste eeuw krijgen de Driekoningen namen: Caspar, Balthasar en Melchior. Caspar was een jonge Aziatische man, die wierook als geschenk bij zich had. Balthasar was een zwarte man van middelbare leeftijd, die uit Ethiopië kwam en mirre bij zich had. Melchior was een grijsaard met baard zijn, die uit Europa kwam en goud bij zich had. De wijzen symboliseerden de toen bekende werelddelen en de drie levensfasen van de man.

De Driekoningen trokken vanuit het oosten naar Jeruzalem, omdat zij een ster hadden gezien. Een bijzondere ster zou de geboorte van de ware koning der Joden aankondigen. De wijzen zagen in de ster een teken dat de Messias was geboren. De toenmalige koning der Joden, Herodes, hoorde van de reis van de wijzen en gebood hen bij zich. Hij wilde dat zij de verblijfplaats van Jezus uitzochten, zogenaamd om hem eer te bewijzen. Later bleek dat hij Jezus wilde vermoorden. Toen de wijzen niet terugkwamen om te vertellen waar zij Jezus gevonden hadden, vermoordde Herodes alle jongetjes onder de twee jaar.

De wijzen trokken na het bezoek aan Herdodus verder. De ster leidde hen naar de goede plaats en bleef boven de stal staan waar Maria en Jozef met het kindeke Jezus verbleven. Zo vonden de wijzen de geboorteplaats van Jezus. De wijzen boden Jezus goud, wierook en mirre aan. Goud omdat Jezus een koning is, wierook omdat hij God is en mirre om het lijden te verzachten dat hij nog moest meemaken.

Of de Driekoningen ook echt bestaan hebben, weten wij niet. Helena, de moeder van de Romeinse keizer Constantijn, dacht in 325 op een reis door Palestina de bot- en kledingresten van de Driekoningen gevonden te hebben en nam ze mee. Keizer Contantijn schonk de relikwieën in 344 aan de stad Milaan. Daar werden ze vergeten. In 1151 vond een abt, Robert de Mont Saint-Michel, de resten opnieuw in een kerkje nabij Milaan. Omdat keizer Frederik Barbarossa de stad belegerde, werden de relikwieën van de Driekoningen naar een klokkentoren binnen de stadsmuren gebracht. Daar zouden ze veiliger zijn. Maar Frederik won en liet de relikwieën in 1164 naar de Dom van Keulen brengen. Sindsdien heeft Milaan herhaaldelijk gevraagd om ze terug te krijgen. Tevergeefs. Wel kreeg Milaan in 1903 enkele botfragmenten. In Keulen worden de Driekoningen sindsdien vereerd.

Maar of de bot- en kledingresten echt van de Driekoningen afkomstig zijn, is maar helemaal de vraag. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw werden de kledingresten onderzocht. Het bleek textiel te zijn uit de tweede en derde eeuw na Christus. Wel oud, maar van na Jezus' geboorte. Bovendien is er nog een reden om te twijfelen. Marco Polo vermeldde namelijk op het einde van de dertiende eeuw dat hij de graven van de drie wijzen uit het oosten gezien had in Iran, in de stad Javeh.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (5 januari 2009)

Foto: Reliekschrijn met de relieken van de Driekoningen

 

Waar komen de gebruiken van Oud en Nieuw vandaan? 

oliebollen

Bij Oud en Nieuw horen oliebollen en vuurwerk.
Precies om middennacht tussen het oude en nieuwe jaar steken wij in heel veel landen vuurwerk af. Dat doen wij om het oude jaar weg te schieten en het nieuwe jaar te verwelkomen.

Vuurwerk is al heel oud. Waarschijnlijk werd het ontdekt in Bangladesh door de Bengalen. Vandaar dat wij nu nog spreken van Bengaals vuurwerk.
Maar het waren de Chinezen die vuurwerk bekend maakten aan het begin van onze jaartelling, dus zo'n 2000 jaar geleden. De Chinesen gebruikten vuurwerk om de boze geesten weg te jagen, om signalen af te geven en in het leger.

Al in de dertiende eeuw was buskruit in China bekend. Hiermee werden allerlei proeven gedaan. Vandaar vond vuurwerk zijn weg naar Europa, waar op menig kasteel vuurwerkspektakels werden opgevoerd (bijvoorbeeld op Versailles).
In Nederland is vuurwerk vooral bekend geworden door het vuurwerk dat werd afgestoken bij de kroning van Koningin Wilhelmina in 1898. Iedereen sprak er nog lang over. 

Tot in de 20ste eeuw moest je in de Kersttijd (21 december t/m 6 januari) mensen die bij je aan de deur kwamen om je een gelukkig nieuwjaar te wensen, iets te eten geven. En dan het liefst iets dat een lekkere bodem in de maag legde. Oliebollen waren hiervoor heel geschikt, want alle ingrediënten die in oliebollen zitten, waren te verkrijgen in de winter en bleven goed. Oliebollen kun je gemakkelijk in grote hoeveelheden bakken en uitdelen. Ze bevatten veel calorieën en zorgen dus voor een bodem in de maag.

Oliebollen worden al in het oudste kookboek genoemd, dan heten ze 'lijnzaadkoeken'. Oude recepten voor oliebollen zijn heel simpel.
- meel
- bier
- gedroogd fruit
- en als ze het hadden deden ze er ook wat anijszaad bij. De armen mensen aten vooral meelbollen: meel met bier en dan gebakken in vet of reuzel.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (29 december 2008)

 

Wat vieren wij met Kerstmis? 

kerstmis

Met Kerstmis vieren wij de geboorte van Christus. Kerstmis betekent Christusmis. Christus is heel waarschijnlijk niet op 25 december geboren en waarschijnlijk ook niet in het jaar nul. Wetenschappers buigen zich al eeuwen over de vraag wanneer Christus is geboren. De vroege Christenen wisten het ook niet en hebben zijn geboorte op allerlei data gevierd: 1 januari, 6 januari, 29 maart, 29 september en noem maar op. Tot Paus Julius I (337 tot 352) de knoop doorhakte  en bepaalde 'Jezus is geboren op 25 december'.

Maar tussen 21 december en 6 januari wordt ook de midwinterperiode gevierd. Vroeger was dit een heel heugelijke tijd, want de winter was zwaar. Weinig eten, veel kou en alles donker. Om je voorraad niet te snel op te maken, was je vanaf Sint Maarten heel zuinig met eten, brandstof en licht. Op 21 december had je daarom al een tijd flink gevast. Om even op krachten te komen mocht men in de midwinterperiode even bijtanken. Lekker veel eten en drinken, licht en warmte. En mensen die te weinig hadden mochten langs de deur gaan om gelukkig kerstmis te wensen of een kerstlied te zingen en daarvoor eten en brandstof te krijgen.

Al die gewoontes hebben wij nu niet meer nodig. We hebben een diepvries, we kunnen eten en drinken wat we willen, onze huizen zijn geïsoleerd en we hebben elektrisch licht. Wij hebben dus geen donkere koude en hongerige winterperiode meer en toch vinden wij het nog steeds belangrijk dat er tussen 21 december en 6 januari veel licht is. We eten ons ongans en we maken net als vroeger van een donkere tijd een gezellige, lichte tijd met veel huiselijkheid. Voor ons is de kersttijd een rustpuntje in de hectiek van het hele jaar geworden.

Bij Kerstmis hoort een kerstboom met daarin kerstversieringen, zoals natuurlijk de kerstballen. Het gebruik van de kerstboom is nog niet zo heel erg oud. Veel mensen denken dat hij  Germaans is, maar in feite is er pas in de eerste helft van de 19e eeuw sprake van een kerstboom in Nederland. Hij komt oorspronkelijk uit Duitsland. Het is dus een geïmporteerd gebruik.

Aan de hoven van de Duitse keurvorsten werden in het begin van de achttiende eeuw kerstbomen in huis gezet met mooie waskaarsen. De Duitse keizersfamilie nam die gewoonte in het begin van de negentiende eeuw over. De koningskinderen die werden uitgehuwelijkt namen de gewoonte mee en zo werd ook in Engeland en Nederland de kerstboom een gewoonte.

Het neerzetten van een kerststal is een gebruik dat vooral in katholieke gezinnen voorkomt. Het is een beeldengroep met het kribbetje met Jezus, Maria, Jozef en de os en de ezel. Buiten de stal staan de herders met hun schapen en, wat meer op afstand, de drie Wijzen uit het oosten met hun kamelen.

Kerststallen worden al gemaakt sinds de late middeleeuwen. Ze waren een initiatief van de Franciscanen en bedoeld om de blije boodschap van de geboorte van Jezus aanschouwelijk te maken. Veel mensen konden immers vroeger niet lezen en schrijven. Men speelde in de kerk het kerstverhaal daarom maar na.

Pas in de negentiende eeuw raakte de kersttal ook in de huiskamer ingeburgerd. De kerststal werd al ruim voor de kerst neergezet en bleef staan tot na 6 januari, het feest van Driekoningen. In de kerstnacht werd vroeger het kindeke Jezus in de kribbe gelegd. En de drie wijzen en hun kameel schoven elke dag een klein stukje op richting de stal, totdat ze er op 6 januari waren aangekomen.
 
Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (22 december 2008)

 

Wat is het feest van Ongelovige Thomas? 

ongelovige thomas

Op 21 december begon voor onze voorouders de Kersttijd. Dan mocht je na een lange tijd van vasten weer eten en drinken. Op deze dag werd ook het feest van Ongelovige Thomas gevierd. Het is de sterfdag van apostel Thomas. Hij werd 'ongelovig' genoemd, omdat hij niet geloofde dat Jezus op Pasen uit zijn graf was opgestaan.

Tot in de 20ste eeuw had je heel veel 'klokkenstoelen'. Dit waren houten geraamtes waar een klok in hing en ze werden ook wel eens de kerktoren van de armen genoemd. Er hingen meestal twee klokken in: een grote en een kleine. Op Sint Thomas werden die klokken geluid door de jeugd. Er werden ook wel wedstrijden aan verbonden. Dan moest tegelijkertijd de grote klok één keer luiden en de kleine twee keer, zodat er een harmonisch geheel ontstond.

Dit was een enorm kabaal en was alleen lang vol te houden als je veel drank op had. Veel gemeentebesturen verboden het dan ook, om de overlast tegen te gaan. Op de plekken waar de bevolking zich tegen deze verordeningen van de gemeente verzette, zie je nog steeds dat de klokken op St. Thomas luiden. Het Thomas-luiden noemen ze dat.

Er was nog een ander gebruik op deze dag. Kinderen en werknemers mochten hun onderwijzers of werkgevers buitensluiten. Die moesten dan met ongeloof reageren: 'Hoe kan het nou dat ik word buitengesloten?' Dan mochten ze pas naar binnen als ze iets beloofden. Meestal was dat bij onderwijzers dat ze een verhaal zouden vertellen en bij werkgevers dat de werknemers met Kerstavond vroeger naar huis mochten. Moeders mocht je ook buitensluiten en die mochten dan alleen weer naar binnen als ze het lievelingseten van de kinderen klaarmaakten. Sommige mensen zullen denken: 'maar dit deden wij op 28 december, de dag van de Onnozele Kinderen. Dit klopt, want dit buitensluiten werd zowel op 21 december als 28 december gedaan.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (15 december 2008)

 

Wie ontwierp de eerste kerstkaart? 

kerstkaart

De eerste kerstkaart werd ontworpen door tekenaar H.C. Horsley. Hij deed dat in opdracht van Sir Henry Cole, de eerste directeur van het Victoria en Albert Museum in London. Henry had het in 1842 te druk om persoonlijk kerstmis te gaan wensen of een kerstbrief te versturen en daarom liet hij een algemene kerstwens ontwerpen. Dan hoefde hij alleen maar een handtekening te zetten en de kaarten te adresseren. Dat bleek een gat in de markt te zijn. 

De eerste kerstkaart werd in 1843 in een oplage van 1.000 kaarten op de markt gebracht voor één shilling per stuk. De kaart had als opdruk: A merry Christmas and a Happy New Year. Er zijn nog circa dertig van deze kaarten bewaard gebleven. In november 2004 werd er één in het veilingshuis Bloombury geveild voor een bedrag tussen de vier- en achtduizend pond.

De oudste kerstkaarten in Nederland dateren uit het einde van de negentiende eeuw.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (8 december 2008)

 

Wat is Sinterklaas voor feest? 

sinterklaas

Het Sint Nicolaasfeest is van oorsprong een kerkelijk feest. Bij heiligen werd vroeger niet de geboortedag, maar de sterf- of begraafdag gevierd. Het was niet zo belangrijk wanneer je geboren was. Wanneer je naar de hemel ging, was veel belangrijker. Overlijden was het begin van een nieuw en beter leven naast God.

Sint Nicolaas werd aanvankelijk vooral in de Grieks-orthodoxe kerk vereerd. In Griekenland en Rusland was hij al in de zesde eeuw een bekende heilige. In die tijd schreef Theodorus van Constantinopel al over hem.

Waarschijnlijk is Nicolaas in de derde eeuw geboren in de buurt van de stad Demre, in het zuiden van Turkije. Vroeger heette deze stad Myra. Op negentienjarige leeftijd werd Nicolaas tot priester gewijd. Later volgde hij zijn oom op als bisschop van Myra. De kerk waar Sint Nicolaas woonde, bestaat nog steeds.

Eigenlijk komt Sinterklaas dus helemaal niet uit Spanje, maar uit wat nu de zuidkust van Turkije is. Een zekere heer Schenkman is er verantwoordelijk voor dat de Sint met de stoomboot uit Spanje komt.

Jan Schenkman (1806-1863) was een Amsterdamse onderwijzer, die in 1851 een kinderboekje schreef, getiteld Sint Nicolaas en zijn knecht. Het boekje werd, ook vanwege de mooie plaatjes, vele malen herdrukt.

Schenkman was zeer geïnteresseerd in nieuwe uitvindingen, zoals de stoommachine. Ook wist hij veel van de geschiedenis van de Gouden Eeuw. Daarom laat hij Sinterklaas uit Spanje komen met een voor die tijd hele moderne boot: een stoomboot. Nu is een stoomboot heel ouderwets, maar rond 1850 was het iets heel nieuws. Als er een stoomboot in de haven kwam, liepen de mensen uit om te kijken.

In de negentiende en eerste helft twintigste eeuw introduceerde Sinterklaas noviteiten. Zo reisde hij als één van de eersten met de trein, een ballon en de auto.

Ineke Strouken RTV Noord-Holland (17 november 2008)

 

Sinds wanneer zetten wij onze schoen? 

sinterklaas

In Nederland zet men vanaf de vijftiende eeuw de schoen. In eerste instantie gebeurde dat in de kerk en was de opbrengst voor de armen. Toen Sinterklaas later een familiefeest werd, zetten kinderen hun schoen in de kamer bij de schoorsteen.

Uit archiefstukken blijkt dat vanaf 1427 in de Sint Nicolaaskerk in Utrecht schoenen werden gezet op 5 december, sinterklaasavond. Rijke Utrechters legden wat in de schoenen en de opbrengst werd verdeeld onder de armen op 6 december, de officiële sterfdag van de Heilige Nicolaas.

Uit de zestiende eeuw bestaan beschrijvingen van het schoenzetten door kinderen in de huiskamer. Kunstschilder Jan Steen heeft in de zeventiende eeuw de sinterklaasochtend op twee schilderijen vastgelegd. Daarop is ook goed te zien wat de kinderen in hun schoen kregen. Vaak was dat koek, snoep en speelgoed. Opvallend is dat vooral jongens een roe of zakje zout in de schoen vonden. Ook nu wordt op verschillende plaatsen in Nederland de schoen op sinterklaasavond gezet en op 6 december geleegd.

Bekend is ook het verhaal van de drie scholieren. Als je nu een speculaasje krijgt van een bakker die met oude speculaasplanken speculaas bakt, dan zie je het volgende heel vaak afgebeeld: Sinterklaas met drie jongetjes in een ton. meestal zijn het drie hoofdjes. Dit verhaal is dan ook al heel oud: Vroeger reisden leerlingen van meester naar meester. Onderweg hadden eens drie leerlingen in een herberg overnacht. De herbergier had hen vanwege hun geld om het leven gebracht. Hij had ze mee naar de kelder gelokt. Het was slachttijd, zo rond Sint Maarten. Hij hakte ze in stukken en zette ze op zout water in vaten, oftewel hij pekelde ze letterlijk. Zeven jaar later redde Sint Nicolaas de jongens uit de vaten. Toen hij in de herberg kwam voelde hij dat er iets niet pluis was en wilde de kelder zien. De herbergier moest de vaten van hem openmaken en daar zaten nog steeds de drie scholieren in. Sinterklaas zette ze weer in elkaar en de jongens kwamen weer tot leven. Ze leefden nog lang en gelukkig...


Ook is Sint Nicolaas op afbeeldingen vaak te zien met drie gouden ballen. Het verhaal gaat dat dit de symbolen zijn voor de bruidsschatten van drie jonge dames die niet konden trouwen, omdat hun vader het geld had opgemaakt. Zij baden tot Sint Nicolaas 'help ons of we moeten de prostitutie in'. Dat wilde Sint Nicolaas natuurlijk niet en hij gooide drie zakken met gouden muntstukken door het raam. Of hij 'reed' (we zouden nu zeggen, hij 'bracht') drie gouden appeltjes naar de meisjes. Dit zijn de sinaasappels, die vroeger heel erg duur waren. Zo konden de dames alsnog een man uitzoeken om te trouwen. Later zagen wij het verband met de sinaasappels niet meer, omdat ze nu niet meer zo duur zijn en gingen wij gouden munten geven.  Als je dus een netje met gouden munten krijgt, dan krijg je eigenlijk een bruidsschat. 

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (24 november 2008) 

 

Waar komt Zwarte Piet vandaan? 

sinterklaas

Over Zwarte Piet doen heel veel theorieën de ronde. Vast staat dat hij pas na 1850 zijn opwachting maakte en voor het eerst brede verbreiding kreeg door het boekje van Jan Schenkman. Over de herkomst van Zwarte Piet is veel gespeculeerd.

Waarom Zwarte Piet zwart is, is ook niet helemaal duidelijk. Is het omdat hij door de schoorsteen kroop om cadeautjes in de schoenen bij de kachel te stoppen? Of is Zwarte Piet eigenlijk helemaal niet zwart maar rood? Is hij een duivel? Sint Nicolaas is immers de overwinnaar van het goede op het kwade.

Volgens sommige onderzoekers heeft Schenkman veel ontleend aan een Duits boekje dat vlak vóór 1850 in de Nederlandse vertaling verscheen. Dit boek van Heinrich Hoffman ging over Struwwelpeter, in het Nederlands vertaald als Piet de Smeerpoets.

Schenkman heeft Zwarte Piet in de kleding van een Moorse page gestoken. Hij bedacht immers dat Sinterklaas uit Spanje kwam en daar waren Moorse mensen bekend. Zwarte Piet is in ieder geval niet discriminerend bedoeld. Als Nutsman was Schenkman in zijn tijd heel progressief en zeker ook tegen discriminatie. Uit onderzoek blijkt dat kinderen vinden dat Zwarte Piet gewoon zwart moet blijven.

De ontwikkeling op het moment is dat Sinterklaas een beetje ouder wordt en in plaats van de knecht wordt Zwarte Piet steeds meer de manager van Sinterklaas.

Schenkman was een onderwijzer en vond het belangrijk dat kinderen goed luisterden en hard werkten. En hij dacht: 'Laat ik dit mooie feest van Sinterklaas gebruiken om kinderen goed op te voeden.' Sinterklaas was daarom in die tijd niet de lieve man, die wij nu kennen. Sinterklaas was een kinderschrik, een boeman. Ouders dreigden kinderen: 'Als je niet lief bent, komt Sinterklaas die je in zijn zak meeneemt naar Spanje om tot pepernoten te worden vermalen'. Kinderen werden op die manier gemaand om lief te zijn. Vooral jongetjes waren vaak de stoute kinderen en niet de meisjes. Een opvoedingsmethode die wij nu niet meer gebruiken.

Een 19e eeuws gedichtje dat de angstgevoelens van een kwajongen goed toont, is 'Den deugniet in de zak':

'Nooit meer zal ik ondeugend wezen
Sinterklaas vergeef het mij
Ik zal nu voortaan vlijtig leren
Niet meer lui zijn, laat mij vrij'

Ineke Strouken, RTV Utrecht (1 december 2008)

 

Sint Maarten 

sint maarten

Op 11 november wordt de begrafenis van de heilige Martinus gevierd. Martinus leefde in de vierde eeuw na Christus. In de vijfde eeuw werd hij heilig verklaard. Al vrij snel na zijn overlijden in 397 zou het bedelfeest zijn ontstaan, zoals we dat nu nog kennen.

Met Sint Maarten gaan vooral kinderen met lichtjes langs de deuren. Ze zingen een lied en ontvangen daarvoor iets lekkers. In de negentiende eeuw gingen ook volwassenen langs de deur. Brandstof en eten waren de opbrengsten van deze bedeltochten. Het was een manier voor arme mensen om door de moeilijke winterperiode te komen.

Sint Maarten was een bisschop die leefde in de vierde eeuw. Hij is vooral bekend door het verhaal waarin verteld wordt dat hij de helft van zijn mantel gaf aan een bedelaar.

Maarten of Martinus werd geboren in Hongarije in de vierde eeuw na Christus. Zijn vader was soldaat en het was toen de gewoonte dat de zoon hetzelfde ging doen als zijn vader. Als soldaat in het Romeinse leger belandde hij in Frankrijk.

Volgens zijn biograaf Sulpicius Severus vond voor de poorten van de stad Amiens de beroemde ontmoeting met de bedelaar plaats. Martinus zag de naakte bedelaar, sneed zijn mantel in tweeën en gaf een deel aan de verkleumde man. Later zou de bedelaar in de gedaante van Christus in zijn droom verschijnen. Na deze droom zei Martinus het soldatenleven vaarwel en werd hij de stichter van vele kloosters in Frankrijk.

In 372 werd Martinus gewijd tot bisschop van Tours en in die stad is hij ook begraven op 11 november 397, de huidige feestdag. In Tours bevindt zich ook het graf van de heilige Martinus.

Martinus was een bijzondere man, waarover veel anekdotes te vertellen zijn. Zo weten wij door Severus dat hij een hekel had aan tanden poetsen en zichzelf wassen. Hij liet boeren en winden en haalde ook streken uit. Daarom was hij bij het volk wel geliefd maar niet bij de andere bisschoppen.

In 2008 gaan weer veel kinderen langs de deur om te zingen:
'Sint Maarten, Sint Maarten,
de koeien hebben staarten,
hier woont een rijke man die veel geven kan,
veel zal hij geven,
zalig zal hij leven.'

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (10 november 2008)

 

Sinds wanneer vieren wij dierendag? 

dierendag

Werelddierendag wordt gevierd op 4 oktober. Dat is de sterfdatum van de middeleeuwse heilige en dierenvriend Franciscus van Assisi (1182-1226). Franciscus is de stichter van de orde der Franciscanen en hield zoveel van dieren dat hij ze met `broeder’ of `zuster’ aansprak. De overlevering wil dat hij tegen vogels preekte.

In de tweede helft van de negentiende eeuw werden overal in Europa verenigingen opgericht tot bescherming van dieren. Op een congres in Wenen – in 1929 – werd besloten een werelddierendag in te stellen om de behandeling van dieren aan de kaak te stellen. In die tijd ging men veel ruwer met dieren om dan tegenwoordig. Zo werden honden gebruikt om de kar te trekken of een molen aan het draaien te houden. Ook waren hanengevechten populair.

Het doel van deze dag was om mensen bewust te maken dat dieren ook levende wezens zijn en gevoel hebben. Vanaf 1960 is dierendag ook een campagnedag van de dierenbescherming. Overal zijn er kleine evenementen. Bijvoorbeeld huiszegeningen door pastoors.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (30 september 2008)
 

 

Wie was de eerste vrouw in de Tweede Kamer? 

kiesrecht

In Nederland heeft niet iedereen altijd het recht om te stemmen gehad. Lang waren het de deftige mannen die het voor het zeggen hadden.

Het Algemeen Kiesrecht voor mannen werd in 1917 ingesteld. Vrouwen kregen twee jaar later Kiesrecht, in 1919.

Hoewel ze nog niet mochten stemmen, waren vrouwen wel verkiesbaar. Ze mochten dus wel in de Tweede Kamer gekozen worden.

Dat gebeurde met Suzanne Groeneweg (1875-1940). In 1918 – één jaar voordat vrouwen mochten stemmen – werd zij in de Tweede Kamer gekozen. Zij werd dus gekozen door mannen die het belangrijk vonden dat vrouwen ook konden meeregeren. Suzanne was lid van de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij).

Suzanne of Suze, zoals ze genoemd werd, combineerde haar Tweede Kamer lidmaatschap met de haar lidmaatschap van de Rotterdamse gemeenteraad en van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. Zij zat dus in de gemeenteraad, de Provinciale Staten en in de Tweede Kamer!

Ze heeft tot 1937 in de Tweede Kamer gezeten en heeft zich vooral bezig gehouden met het opkomen voor de belangen van de vrouw.

 Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (22 september 2008)

 

Wie was de eerste vrouwelijke minister? 

marga klompé

Marga Klompé was de eerste vrouwelijke minister.  Ze had voor de KVP zitting in het vierde kabinet Drees. Zij was minister van Maatschappelijk Werk. Op 13 oktober 1956 werd zij tot minister benoemd.

Het waren de jaren vijftig, de jaren van huiselijk Nederland. Het gezin was toen de hoeksteen van de samenleving en de vrouw de spil waar het in het gezin om draaide. Vooral in katholieke kringen was dit gezinsideaal belangrijk.

Marga Klompé zorgde meteen voor een huiselijke sfeer op het binnenhof. De ministers mochten haar bij haar voornaam noemen, en dat is later ook door de andere ministers overgenomen.

Klompé is per toeval in de Tweede Kamer gekomen. Ze was lerares scheikunde en stond in 1948 op een onverkiesbare plaats. Dat wilde ze ook. Maar onvoorzien leverde die plaats toch een zetel op en zo kwam Klompé in de kamer.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (22 september 2008)

 

Hoe komt Prinsjesdag aan zijn naam? 

De naam Prinsjesdag werd vroeger gebruikt voor de verjaardag van Stadhouder Willem V (1748-1806) op 8 maart. In de tijd van de Patriotten was prinsjesdag één van de populairste volksfeesten. Het was een manier om te laten zien dat men Oranjegezind of Prinsgezind was. Het was een soort verzetsdaad tegen de Franse overheersers.

In de negentiende eeuw werd de opening van het parlementair jaar Prinsjesdag genoemd.

Op Prinsjesdag maakt de regering in een gezamenlijke vergadering van de Eerste en Tweede Kamer haar plannen voor het volgende jaar bekend. De Koningin spreekt dan de troonrede uit. Ze geeft dan een uiteenzetting van het door de regering gevoerde beleid.

Tussen 1815 en 1904 sprak het staatshoofd de Troonrede uit in de vergaderzaal van de Tweede Kamer. Vanaf 1904 doet hij/zij dat in de Ridderzaal op het Binnenhof. Graaf Floris de V van Holland liet de Ridderzaal in 1280 bouwen voor zijn regeringstaken. De gotische troonzetel, waarop de Koningin zit, staat pas sinds de restauratie in het begin van de vorige eeuw in de Ridderzaal.  In de nok van de Ridderzaal hangen de vlaggen van alle twaalf provincies.

Prinsjesdag is niet altijd op de derde dinsdag van september geweest. In de 19e eeuw was dat ook wel de eerste maandag in november en later de derde maandag in oktober.
In 1848 werd ingevoerd dat men voortaan per jaar ging werken met een begroting. Om meer tijd te hebben, is het begin van het parlementair jaar toen vervroegd naar de derde maandag in september.

In 1887 werd prinsjesdag verplaatst naar dinsdag. Kamerleden uit verre gebieden hoefden dan niet meer op zondag naar Den Haag te komen.

In 1983 is de zittingsduur van de Staten Generaal verlengd van 1 naar 4 jaar. Vanaf die tijd is Prinsjesdag dus niet meer de officiële opening van de parlementaire zittingsperiode, maar de Koningin leest nog wel elk jaar de troonrede voor.

De Staten-Generaal was oorspronkelijk de vergadering van alle afgevaardigden van alle gewesten. In de Republiek der Nederlanden waren dat de afgevaardigden van de 7 provinciën.
Daar vielen de generaliteitslanden zoals Noord-Brabant en Drenthe buiten.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (15 september 2008)

 

Wat is de Ramadan? 

ramadan

De Ramadan (in het Arabisch Ramadhan) is de negende maand in de Islamitische kalender. Moslims nemen aan dat in deze maand Mohammed de eerste openbaringen ontving, die later zijn opgetekend in de Koran. In de Ramadanmaand staan ‘inkeer’ en ‘vasten’ centraal.

Omdat de Islamitische kalender een maankalender is, vallen de maanden anders dan bij de westerse kalender. De avond vóór de eerste dag van de Ramadan moet de sikkel van de nieuwe maan te zien zijn aan de hemel. Daarom kan de Ramadan in het ene land vroeger beginnen dan in het andere land.

Moslims mogen in deze maand niet eten en drinken tussen zonsopgang en zonsondergang. Ook moeten ze zich onthouden van geslachtsgemeenschap en leven als ‘goede’ mensen. Ramadan is een tijd van onthouding en bezinning.

Doel van de Ramadan is:
- gehoorzamen aan God
- leven volgens de Koran
- het is een middel om de geest en het lijf te zuiveren
- het kweekt zelfdiscipline aan
Voor moslims is de Ramadanmaand ook een maand van gezelligheid en verbondenheid.

Regels zijn:
- Oog: men kijkt niet naar verkeerde of onreine dingen
- Oor: men luistert niet naar verkeerde praatjes of muziek
- Mond: men vloekt en roddelt niet
- Hand: men pleegt geen verkeerde of onreine handelingen
- Voet: men komt niet op verboden of verkeerde plaatsen.

Alle volwassen moslims moeten volgens de Koran vasten. Vasten is één van de vijf zuilen van de Koran. Kinderen, zieke en oude mensen en zwangere vrouwen doen minder streng mee.

Veel moslims gebruiken voor zonsopgang een maaltijd (sahoor) en na zonsondergang (iftar). Sommigen eten dan uitgebreid. Maar daar is ook kritiek op, want het is de bedoeling dat je tijdens het vasten voelt wat het is om honger te hebben. Tegenwoordig gebruiken moslims de iftar om niet-moslims uit te nodigen om zo hun cultuur te delen.

De dagelijkse vasten wordt bij Marokkanen gebroken door het eten van drie dadels, het drinken van water en op het opzeggen van de drankregels. Daarna drinken zij koffie en eten ze een speciale ramadansoep: harriera.

In Turkse gezinnen eten ze een maaltijd met linzensoep en een rijstepuddinkje. Daarna volgt het avondgebed.

Tijdens de Ramadan begroeten moslims elkaar met: ‘gezegende ramadan’. Ze proberen tijdens deze maand de Koran helemaal te lezen. Daarom is de Koran verdeeld in 30 delen voor elke dag van de Ramadan een deel.

De Ramadan eindigt met het Suikerfeest: de id-oel-fitr, een feest waarop veel en zoet gegeten wordt.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (8 september 2008)

 

Hoe maak je Ramadansoep? 

ramadan

Moslims eten na zonsondergang: Harira.
Dat is een linzensoep, ook wel ramadansoep genoemd.

Hier is het recept.

Wat heb je nodig:
- 350 gr lamsvlees van het bout, zonder bot
- 150 gr bruine linzen
- 1 ui
- 1 blik gepelde tomaten
- 1 theelepel paprikapoeder
- ½ envelopje saffraandraadjes
- zout
- 4 eetlepels fijngesneden peterselie
- 2 eetlepels fijngesneden bladselderij
- 4 eetlepels fijngesneden koriander
- 2 vleesbouillonblokjes
- 1 blikje tomatenpuree
- 50 gr fijne vermicelli
- 1 klein blikje kikkererwten
- 3 eetlepels bloem
- wat olie

Snij het vlees in dobbelstenen.
Spoel de linzen af in een vergiet.
Snipper de ui.
Snijd de tomaten in stukjes.
Verhit de olie in de pan en bak het vlees met de ui, paprikapoeder, saffraan, peper en zout circa 3 minuten.
Voeg de tomaten met het sap toe, de peterselie, selderij, koriander, linzen en 1 ½ liter water waarin de bouillonblokjes zijn opgelost.
Laat de soep ruim 1 uur zachtjes koken totdat vlees en linzen gaar zijn.
Voeg tomatenpuree, kikkererwten en vermicelli toe.
Roer een glad papje van de bloem met water. Bind daarmee de soep.
Nog even circa 10 minuten laten koken.
Op smaak maken met peper en zout.

Serveren met Marokkaans brood.

Uit: Onno Kleyn en Annelene van Eijndhoven, Open keuken, Te gast in de Nederlandse, Marokkaanse, Turkse en Surinaamse keuken (Uitgeverij Plan Plan , Amsterdam 2002)

 

 

Werd er vroeger ook gevliegerd? 

Volgens Jan ter Gouw', een 19e eeuwse schoolmeester die over Nederlandsche Volksvermaken schreef, werd er vroeger in de zomer en herfst gevliegerd, vooral als de akkers nog niet begroeid waren. 'Want de jongens kijken naar geen kalender, maar naar het weer.' Er moet namelijk een stevige bries staan om een vlieger te kunnen oplaten.

Vliegeren is kinderspel en de vlieger werd door de kinderen zelf in elkaar geknutseld. Twee latjes een stuk touw, lijn en papier en je kon aan de slag.

De vliegers werden in het verleden vervaardigd uit waardeloos materiaal. Teenstra schrijft in zijn boek De kinder wereld uit 1853 over de vliegers die hij draken noemt: ‘Draken, die het best opgaan en het hoogst vliegen, worden uit notariële akten en procuratiën van rechtsgeleerden gemaakt: de hier uit geboren wordende draken staan dan ook als loerende gieren hoog in de lucht , alsof zij door de dakpannen en de schoorstenen in de woningen van wezen en weduwen nederzagen, om daar hunne prooi machtig te worden.‘

 Het benoemen van de vliegers als draken verwijst naar de vermoedelijke oorsprong van de vliegers. Vliegeren is waarschijnlijk oosters. Met name in China, maar ook in het toenmalige Nederlands Indië was vliegeren al een oud vermaak. De vliegers in deze Aziatische landen werden gebruikt om de luchtgeesten gunstig te stemmen en het huis te beschermen.

In Nederland is vliegeren altijd een kindervermaak geweest. Roelof Westerop dichtte over het vliegeren in Hoorn in in de achttiende eeuw:

'Daar schiet de Jeught den vlieger op
Die snelt gelijk een pijl naer ‘t hoogen
Doorsnijdt met zijnen spitsen kop
De lucht , zoo ver men kan beoogen

De dichter beschrijft hierin de typische Nederlandse vlieger met de spitsen kop. Volgens de kenner van de Nederlandsche Volksvermaken Jan ter gouw is deze vlieger een uitvinding van de Nederlandse jeugd.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (1 september 2008)

 

Wanneer leerde men zwemmen? 

zwemmen

Tegenwoordig kan bijna iedereen zwemmen. Leren zwemmen is nodig in een land waar zoveel water is. Zwemmen hoort bij de opvoeding en wij vinden het vanzelfsprekend dat mensen kunnen zwemmen.

Daarom is het niet voor te stellen dat 200 jaar geleden bijna nog niemand zwemmen kon, ook vissers niet. Men was bang van water. Daar bleef je als het kon ver vandaan. In de 19e eeuw kwam daar verandering in.

Vanaf 1846 werden de eerste zwemscholen opgericht. Deze zwembaden organiseerden volkswedstrijden bedoeld om de minvermogenden te stimuleren de zwemkunst te leren.

De eerste zwemschool was in Amsterdam. De heer Ploenius – instructeur aan de Militaire Academie in Breda – opende in 1846 de eerste zwem- en badinrichting aan het IJ bij de Westerdoksdijk.

Jacob van Lennep schreef het openingsgedicht:

Holland is een waterland
’t Water dreigt van alle kant
Maar wie zwemt, heeft geen gevaar
Leert zwemmen al te gaar
Aan het IJ
’t Is nabij
Haast u naar de school aan ’t IJ
Aan het IJ
Aan het IJ
Leert men u wat zwemmen zij
 
Op 25 juni 1870 werd de eerste zwemvereniging in Nederland opgericht. Deze Amsterdamsche Zwemclub gaf gratis les aan `jongelieden uit de volksklasse’. Dit voorbeeld werd overgenomen door andere steden, zoals Utrecht.

Op 14 augustus 1888 kwamen de vertegenwoordigers van deze zwemclubs in Utrecht bij elkaar om de Nederlandsche Zwemclub op te richten.  Dat is de huidige Koninklijke Nederlandsche Zwembond.

Deze KNZB promootte het zwemmen en zorgde er voor dat iedereen in Nederland leerde zwemmen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (25 augustus 2008)

 

Wanneer ontstonden de eerste badplaatsen? 

zwemmen

Men moest vroeger niets van water en zee hebben. In de 19e eeuw kwam daar verandering in. Men kreeg door dat zeelucht en zeewater gezond waren.

Het zeebad werd door de Fransen in de Napoleontische tijd geïntroduceerd. Scheveningen werd in 1818 de eerste Nederlandse badplaats. Er kwamen in het begin vooral Duitse kuurgasten. Andere oude badplaatsen zijn Domburg en Zandvoort.

Men bezocht een badplaats vanwege de gezondheid. Er moest dan ook veel gebaad worden. Men begon zo vroeg mogelijk. Het liefst om zes uur. Hoe krachtiger de golven, hoe heilzamer voor de gezondheid. Het zeewater zou goed zijn voor de huid en het lijf. Men dronk het zeewater ook op.

Kenmerkend voor de badcultuur in de 19e eeuw zijn de badkoetsen. De badgast klom in de koets en werd zo met koets en al door een paard de zee in getrokken. In de cabine kleedde hij of zij zich uit (eerst naakt en later in badkostuum) en dan daalde hij via een trapje de zee in. Hij zwom niet, maar ging een paar keer kopje onder.  Een badknecht of badvrouw zorgde er voor dat de badgast niet verdronk. En dan kleedde hij zich weer aan en nam even rust.

De angst voor verdrinking was groot. Niemand kon zwemmen en de zee is verraderlijk. De badknecht of badvrouw ging dan ook mee het water in.

Kustplaatsen als Scheveningen, Domburg en Zandvoort hadden door deze badcultuur al in de 19e eeuw een toeristische infrastructuur. Eerst was de gezondheid een reden om te gaan kuren, later ging men ook om te ontspannen en de sociale contacten aan te halen. Scheveningen werd door het badbezoek van de koninklijke familie een internationaal vermaard kuuroord. Zo liet Koning Willem I zich voor zijn slapeloosheid behandelen in de badplaats.

‘Gewone mensen’ uit de provincie werden geweerd of beter genegeerd. Zo schrijft een niets vermoedende badgast over het hotelpersoneel: ‘Zij zien met koele minachting op menig eerzaam provincialist neder, alleen tegen het ogenblik van vertrek zich even verwaardigende aan den bezoeker te denken.’ 

Overigens: zonnebaden deed men niet. De gewone mens werd vanzelf wel bruin door buiten te werken en als je wat deftiger was dan wilde je helemaal niet bruin worden. Bleek was mode.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (18 augustus 2008)

 

Waar komt het woord caravan vandaan? 

kip caravan

'Hoe verrukkelijk moet het zijn om te overnachten op een bergpas of om wakker te worden aan de oever van een meer, ergens, om voor een tijd vrij en ongebonden rond te zwerven als een geciviliseerde zigeuner.’
Aldus een citaat uit de ANWB Kampioen (1948).
Nederland is het caravanland bij uitstek. Nergens hebben zoveel mensen een caravan als in Nederland.

Napoleon liet al in 1800 een soort caravan bouwen die getrokken werd door paarden. Met deze caravan begon hij zijn veldtocht naar Rusland. Deze caravan was voorzien van alle luxe uit die tijd. Daarnaast maakten zigeuners in de 19e eeuw gebruik van huizen op wielen: woonwagens.

Het woord caravan is afgeleid van het Perzische woord karwan (karavaan). Een groep handelaars of pelgrims die vanwege de veiligheid samen door het land trekken.

Nederland heeft ook een beroemde caravan ontwikkeld: de Kip. De Kip komt van Jan Kip. In 1947 richtte Jan Kip uit Hoogeveen een onderneming op: Kip Caravans. Hij bouwde een kleine wagen waarin je kon slapen en koken en noemde zijn caravans Kuiken en Krielkip. Het liep storm. In Nederland begon men net het vakantie vieren te ontdekken en het was luxe als je zo’n kleine eigen woning kon kopen.

In 1964 verkocht Jan Kip zijn aandelen aan het Amerikaanse bedrijf Boise Cascade. Hierdoor stegen de verkoopcijfers nog meer. In 1971 werden er 10.000 Kip-caravans gebouwd. In 1997 kreeg Kip Caravans de innovatieprijs. In 1993 sloot Kip zich aan bij wat nu Tirus heet, een belangrijke speler op de internationale caravanmarkt.

Ineke Strouken, RTV Utrecht (6 augustus 2008)

Foto: Krielkip (1965)

 

Sinds wanneer kamperen Nederlanders? 

kamperen

Aan het begin van de twintigste eeuw ging de Nederlandse literator Nico van Suchtelen (1878-1949) op vakantie met een dubbeldaks tent en een bed van wollen tapijten. Het vervoer van Van Suchtelen was de fiets en de benenwagen. Hij had toen ook al kookgerei bij zich om zijn eigen kostje te kunnen koken.

Het kamperen met een tent was komen overwaaien uit Engeland. Door het opkomende toerisme van de Engelsen, die er met de fiets op uit trokken, raakten de Engelse hotels in de zomer overvol. Hoteleigenaren gingen om de slaapcapaciteit uit te bereiden naast hun hotel tenten plaatsen, die geleend werden van het leger.

De kleermaker T.H. Holding speelde handig op de behoefte aan accommodatie in door aan het eind van de negentiende eeuw de eerste ‘lichtgewicht tentjes te maken’. Hij richtte in 1906 ook de eerste kampeervereniging op en schreef het eerste handboek over kamperen.

In Duitsland ontstond rond de eeuwwisseling de Wandervögel-beweging. Jongeren, vooral jongens, trokken op de fiets of wandelend van hun woonplaats, de stad, naar het platteland.

In Nederland was men in het begin tegen kamperen. Men vond het landloperij. De weerstand in Nederland bestond vooral tegen het langs de weg opslaan van een tentje. Er waren aan het begin van de 20ste eeuw nog geen campings. Politieagenten traden in sommige plaatsen streng op.

Met name in het zuiden van Nederland was de weerstand tegen dit losbandig gedrag van jeugdigen groot. Het werd de kampeerders zo moeilijk mogelijk gemaakt. Om je tent op te mogen slaan, moest je toestemming van de eigenaar hebben, maar ook een vergunning aanvragen bij de gemeente. Je werd gevraagd naar een bewijs van goed gedrag en als de dienstdoende ambtenaar wilde meewerken, kreeg je toestemming om maximaal twee nachten te kamperen.

In 1913 lijkt het kamperen vaste grond onder de voeten te krijgen. In dat jaar wordt de Nederlandse Toeristen Kampeerclub opgericht. De oprichter C. Denig had de kunst afgekeken van Holding, de Engelse voorvechter van het kamperen. Hij was als een van de weinige Nederlanders lid van Holdings kampeerclub.

De eerste Nederlandse camping ontstond in 1925 en lag bij Vierhouten (Gelderland). Door de relatief geringe kosten die men moest betalen voor het overnachten in een tent en het toenemen van het aantal vrije dagen werd kamperen voor grote groepen een haalbare vrijetijdsbesteding. Nederland werd een echt kampeerland. Minister-President Den Uyl kampeerde zelfs met zijn kinderen.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (11 augustus 2008)

 

Sinds wanneer hebben wij vakantie? 

Op vakantie gaan zoals wij dat kennen: een paar weken niet hoeven te werken en dan naar verre landen gaan, is nog maar een recent verschijnsel.

 

In 1919 nam de Tweede Kamer de Arbeidswet aan waarin een achturige werkdag, een vrije zondag en een vrije zaterdagmiddag voor iedereen werd geregeld. Deze Arbeidswet was vooral een wens van de socialisten, gesteund door de christelijke partijen. De socialisten wilden een einde aan de lange werkdagen - een werkdag duurde dikwijls wel zestien uur - en de christelijke partijen vonden een vrije zondag belangrijk, want dan konden de arbeiders naar de kerk gaan.

 

Dat deze wet pas in 1919 aangenomen werd, kwam omdat men bang was dat de arbeiders niet met hun vrije tijd konden omgaan. Ze zouden maar gaan drinken en onzedelijk gedrag gaan vertonen als ze niet hoefden te werken.

 

De eersten die écht vakantie kregen, waren de ambtenaren en schoolmeesters. Vanaf 1900 kregen zij een weekje vrij.

 

In de Tweede Wereldoorlog zorgden de Duitsers voor de verspreiding van de opvatting dat mensen recht hadden op vakantie met doorbetaling van loon. In 1941 werd deze gedachte voor het eerst overgenomen in Nederland. Na de Tweede Wereldoorlog kregen arbeiders steeds vaker vakantie en vakantiegeld. Dit werd tussen werkgevers en werknemers geregeld via CAO's. Eerst was dat nog maar een paar dagen, later werd de vakantie steeds langer. Pas in 1966 legde de regering het recht op een betaalde vakantie vast.

 

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (4 augustus 2008)

 

Wat zijn de hondsdagen? 

De periode 20 juli en 20 augustus gold als de warmste periode van het jaar. De heldere ster Sirius is deze periode van het jaar niet zichtbaar, omdat die gelijk verschijnt met het opkomen van de zon. Sirius behoort tot het sterrenbeeld van de grote hond. Vandaar de hondsdagen.

De gemiddelde temperatuur in een etmaal was tijdens de Hondsdagen ongeveer 17 graden en ‘s middags tussen de 19 en 24 graden. De hondsdagen zijn in het volksgeloof berucht om de uitbraak van hondsdolheid. In veel landen werden de honden met de hondsdagen gemuilkorfd.

Bovendien was door de hoge tempraturen het voedsel eerder bedorven. Met name melk bedierf snel in deze periode van het jaar. Mensen konden vroeger niet hun vlees en melk in de koelkast zetten of invriezen in de diepvries. De kelder was het enige plekje in huis waar voedingswaren redelijk goed bleven. Maar het was oppassen. Een voedselvergiftiging was gauw opgelopen.

In de hondsdagen, waarop het warm en broeierig kan zijn, kan het heel hard onweren.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (28 juli 2008)

 

Wanneer vond de eerste Tour de France plaats? 

tour de france

Aan het begin van de twintigste eeuw had je in Frankrijk twee wieler tijdschriften: L’Auto-Velo en L’Velo.

Dat gaf veel wrijving. Ten eerste was L-Auto-Velo veel kleiner dan L'Velo (het eerste tijdschrift had 20.000 abonnees en het tweede 80.000.) Toen spande L'Velo ook nog een proces aan tegen L'Auto-Velo, omdat zij vonden dat L'Auto-Velo geen recht had op de toevoeging Velo. Dat won L'Velo op 16 januari 1903. L'Auto-Velo moest het stukje Velo in zijn naam schrappen.

Henri Desgrange, de hoofdredacteur van L’Auto-Velo, was natuurlijk woedend en zon op wraak. Desgrange was ook een zeer verdienstelijk wielrenner. Hij bedacht daarom een Ronde van Frankrijk, een meerdaagse wielerwedstrijd, en presenteerde dat plan al drie dagen na het proces aan de pers. Men was niet meteen enthousiast en vroeg zich af of de Tour er ooit wel zou komen.

Aanvankelijk schreven maar weinig wielrenners zich in. Het begin van de Tour werd zelfs uitgesteld van 1 juni naar 1 juli. Uiteindelijk deden 60 renners mee aan de eerste Tour de France en reden 21 renners hem uit.

Op 1 juli ging de Tour van start. Er waren in totaal 6 ritten. Het was nog allemaal slecht georganiseerd. Om na te gaan of de renners het parcours wel reden, waren er onderweg controleposten geïnstalleerd. De renners moesten afstappen en hun handtekening zetten of hun naam schreeuwen naar de mensen achter de controletafel. Waren de renners voorbij, dan snelden deze commissarissen zich naar de volgende controlepost om daar de renners op te wachten.
Winnaar was Maurice Garin, maar er is nog steeds twijfel of hij de tour wel echt helemaal gereden heeft. Hij had namelijk een voorsprong van drie uur op nummer twee.

De tweede Tour ondervond allerlei problemen. Het leek wel of iedereen tegen was. Op de straat werden glasscherven gegooid en de renners kregen stokslagen.
Mensen die langs het parcours woonden, klaagden en wierpen barricades op, omdat de Tour hun nachtrust verstoorde. (Er werd toen ook ’s nachts gereden.)
De vorige winnaar Garin werd door de achtervolgers van een andere favoriet bedreigd: ‘Garin, sla hem dood’. Maar Garin was niet bang en schreeuwde terug: ‘Ik ga door tot Parijs en zal winnen, tenzij ik vermoord word.’
Chaos dus en op den duur had niemand nog zicht op het wedstrijdverloop.

Bovendien werden later de eerste vier renners ook nog gediskwalificeerd. Ze hadden binnendoor wegen genomen, zich laten voortrekken en onderweg de trein genomen.

Daags na de laatste rit besloot Desgrange dat de tweede editie van de Tour ook meteen de laatste was geweest. Hij was totaal ontmoedigd.
Maar Desgrange kon het niet laten en kwam het jaar er op toch met een nieuwe Tour de France.

Foto: Henri Desgrange tijdens de Tour de France in 1913.

Ineke Strouken, Radio Noord-Holland (30 juni 2008)

 

Waarom is de Alp d'Huez zo populair bij Nederlanders? 

tour de france

De Alp d'Huez is spectaculair vanwege de vele haarspeldbochten en omdat de etappe op de berg eindigt. In een bergetappe is het ieder voor zich, een gevecht van man tegen man. Hier moeten de kopmannen het zelf doen, zonder hulp van knechten. De Alp d'Huez is vooral voor Nederlanders een tot de verbeelding sprekende berg, omdat hier veel Nederlanders gewonnen hebben.

De Alpe zat voor het eerst in de Tour de France in 1952. Sinds 1976 is de Alpe bijna altijd in het parcours opgenomen. Sinds die tijd hebben maar liefst acht Nederlanders deze etappe gewonnen. Hennie Kuiper, Joop Zoetemelk, Peter Winnen wonnen hem zelfs twee keer. Gert-Jan Theunisse is voorlopig de laatste Nederlandse winnaar die zegenvierend bovenkwam.

De berg is daarom bijna altijd oranje gekleurd door de Nederlandse supporters die op de berg langs het parcours staan in de hoop dat er een Nederlander zal winnen.

Foto: Joop Zoetemelk 

 

Hoe oud is de dierentuin Artis? 

artis

Nederland heeft één van de oudste dierentuinen ter wereld. Al in de achttiende eeuw werd `de herberg van Blaauwe Jan’ opgericht, waar men exotische dieren kon bekijken. Mensen gingen in die tijd nog niet op vakantie en de televisie bestond ook nog niet, dus een dierentuin was de enige mogelijkheid om dieren uit verre landen te zien.

Uit de herberg van Blaauw Jan werd in 1838 Artis opgericht. Artis komt van Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra. Artis begon in Amsterdam op de Plantage. De Plantage was een landelijk gebied binnen de Amsterdamse vesting. Het bestond uit een verzameling tuinen en buitens. Artis kocht in 1838 één zo’n buiten: Middenhof. Twee jaar later – in 1840 - kocht ze nog zo’n buiten: Vrede is mijn lust.

Zo kocht Artis stuk voor stuk de hele plantage op totdat ze in 1877 het gebied had wat ze nu nog heeft. Zo werd het een dierentuin midden in de stad Amsterdam. Jarenlang zijn de bezoekers met een pontje van de ene tuin naar de andere overgevaren.

Naast de dieren waren er ook prachtige tuinen. Rijke mensen liepen daar te flaneren en men kon er naar concerten luisteren. In de maand september mochten de 'gewone' mensen voor weinig geld naar binnen.

In mei 1838 kreeg Artis zijn eerste zoogdier. Enige vooraanstaande Amsterdammers kochten voor twaalf gulden een Surinaams boskatje dat ze aan Artis gaven. Verder kocht men enige apen en kreeg Artis een Javaans schaap ten geschenke. Ook werd er een panter aangeschaft die meteen één van de apen opat.
Zo ging dat in die tijd.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (7 juli 2008)

Kaart: Ingang van Artis in 1912

 

Welke vrouw stak als koorddanseres de Niagarawatervallen over? 

maris spelterina

In 1876 trad er een dappere en beroemde vrouw op de Amsterdamse kermis op: de koorddanseres Maris Spelterina.

Maris Spelterina was de eerste vrouw die in de negentiende eeuw over een koord de Niagarawatervallen durfde over te steken.
In juli 1876 – zij was toen 23 jaar – liep ze in elf minuten over een koord dat 300 meter boven deze waterval was gespannen. Duizenden mensen zaten op houten tribunes op beide oevers en hielden hun hart vast.

Maris was gekleed in een lichtkleurig tricot met een groen korset en zij liep geblinddoekt naar de overkant. Halverwege bleef ze staan om de fotografen de kans te geven een mooi plaatje te schieten, want in die tijd moest je heel stil staan anders zou een foto mislukken.

Nadat ze de overkant had bereikt deed ze haar blinddoek af en liep ze ook nog achterstevoren terug.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (14 juli 2008)

 

Wie vond het memoblaadje uit? 

memo blaadje

De uitvinder van het memoblaadje was Arthur Frey. Hij ergerde zich er aan dat de papieren bladwijzers elke week in zijn gezangenboek verschoven waren. En op een zondag in 1974 kreeg hij een inval. Later verklaarde hij: 'Ik weet niet of het een saaie preek was of goddelijke inspiratie.'

Frey werkte bij het bedrijf 3M en tijdens de bewuste dienst moest hij denken aan een kleefmiddel dat jaren daarvoor in een laboratorium was ontdekt en dat nergens voor gebruikt kon worden. Het kleefmiddel was te zwak om iets echt aan elkaar te lijmen en het verloor zijn kleefkracht pas nadat het tientallen malen hergebruikt was.

Deze gedachte legde Frey bij zijn bedrijf op tafel en het werd de basis voor de post-it-notes, de gele notitieblaadjes die nu op elk kantoor over de hele wereld gebruikt worden.

3M maakt de blokjes ook nog steeds, maar er zijn inmiddels meer producenten.

Ineke Strouken, Radio Nood-Holland (21 juli 2008)

 

Wie vond de paperclip uit? 

paperclip

Drs P.  zong ooit over de paperclip: klein maar geniaal. De uitvinder van de paperclip was de Noor Johan Vaaler. Drs P noemde hem Knut.

Vaaler was een eenvoudige boerenzoon, die in 1899 een ijzerdraadje omboog om er een klemmetje van te maken dat papieren bij elkaar moest houden. Vaaler stierf jong en heeft niet echt van zijn paperclip kunnen profiteren. Maar zijn uitvinding werd wereldwijd bekend.

In 1999 werd het 100-jarig jubileum van de paperclip groots gevierd in Noorwegen.

Voor de Noren was de paperclip in de Tweede Wereldoorlog, tijdens de Duitse bezetting, een teken van nationalisme. Ze spelden een paperclip op hun revers om te laten zien dat zij voor Noorwegen waren. Ze konden er zelfs gevangenisstraf voor krijgen.

Ineke Strouken, Radio Noord-Holland (21 juli 2008)

 

Wat is de geschiedenis van het roken? 

roken

In 1492 ontdekte Columbus Amerika. Hij landde ergens op één van de eilanden van de Bahama’s en daar zagen hij en zijn bemanningleden mensen rolletjes gedroogde kruiden in hun mond steken waar rook uit kwam.

Vooral een van de bemanningsleden – Jerez - vond dat grappig. Terug thuis in Spanje – in zijn geboorteplaats Ayamonte - ging hij demonstratief op straat roken. Hij werd opgepakt voor toverij en het duurde zeven jaar voordat hij zijn onschuld had bewezen.

Columbus nam een paar tabaksplanten mee naar huis om die bijzondere plant te laten zien. In 1560 stuurde de Franse ambassadeur in Lissabon - Nicot - een tabaksplant naar Frankrijk. Hij vertelde er bij dat deze plant goed was voor: schurft, verkoudheid, reuma, koorts, slangenbeten en zweren. In korte tijd was tabak in heel Europa bekend. Hij kreeg de naam Nicotiana, naar ambassadeur Jean Nicot.

Men gebruikte de tabaksplant toen om te snuiven, te pruimen en te roken in pijpen van zeeklei. Eerst was niet iedereen er blij mee. In China stond de doodstraf door onthoofding op het roken van tabak. In Rusland en Turkije boorden ze een gat in je neus of sneden ze je neus er af als je rokend werd gesnapt.

Tot de twintigste eeuw werd er vooral  pijp en sigaar gerookt. Toen kwam de sigaret op. In Europa leerden wij de sigaret kennen in de Krimoorlog (1854-56). De Turken, Bulgaren en Grieken hadden namelijk een wat makkelijker manier gevonden om te roken. Ze maakten van de tabak een dun rolletje met een papiertje er om heen. Dat rolletje staken ze aan. In 1880 vond James Buchanan Duke de eerste sigarettenmachine uit. In 1930 werd de filtersigaret uitgevonden.

Tussen 1900 en 1950 rukte het roken van sigaretten in Nederland in razend tempo op. In de Tweede Wereldoorlog gingen de Nederlandse vrouwen massaal roken.

Tot circa 1975 was roken heel normaal. Een man die niet rookte, was geen man. Koningin Juliana werd ook vaak rokend gefotografeerd. Bioscopen, bussen en treinen hadden allemaal een asbak. Een sportprogramma werd rustig gepresenteerd door een rokende verslaggever. Leraren op school stonden rokend voor de klas. En een jongen van 14 jaar kon je best een sigaret aan bieden met de vraag: ‘Rook jij al?’ Men dacht: ‘Een tevreden roker is geen onruststoker.’

Dat wij nu anders over roken denken komt, omdat in 1950 Sir Richard Doll het verband tussen roken en longkanker aantoonde. Na 1975 kwam er een hele tegenbeweging op gang. In 2003 werd alle rookreclame verboden.

Ineke Strouken, RTV Utrecht (1 en 2 juli 2008)

 

Hoe oud is pepermunt? 

pepermunt

Pepermunt wordt vervaardigd uit pepermuntolie uit de muntplant. In 1696 werd munt een cultuurgewas in Engeland en aan het begin van de achttiende eeuw ontstond daar het snoepgoed pepermunt.

In 1771 begon ook in Nederland de distillatie van muntolie, aanvankelijk voor honing en stroop, maar later ook voor het pepermuntje, een snoepje.

Pepermunt wordt door sommigen wel gezien als hét snoepje voor tijdens kerkdiensten. Nederlands Hervormden zouden zweren bij het merk Faam, de Gereformeerden en katholieken bij King: een afkorting die staat voor Kwaliteit In Niets Geëvenaard.

Een met pepermunt samenhangende accessoire is het pepermuntdoosje, dat in het begin van de negentiende eeuw in gebruik kwam. Deze doosjes werden vaak versierd met filigrain, parelmoer, granaat en veelkleurige steentjes. Ook werden er afbeeldingen op gegraveerd. Vooral de Schoonhovense zilversmeden stonden bekend om hun vaardigheid in deze vorm van volkskunst.

Ineke Strouken, RTV Utrecht (24 juni 2008)

 

Wat viert men op Sint Jan? 

sint janskruid

Vroeger vierde men op 24 juni de langste dag in het jaar. Johannes de Doper was de heilige voor deze dag. Hij werd ook wel Sint Jan genoemd.

Ook was Sint Jan was een bepalende dag voor het weer dat zou komen.

'Als ’t regent op Sint Jan
Regent het veertien dagen lang'

'Het weer van Sint Jan
Houdt dertig dagen an'

Op Sint Jan plukte men vroeger bloemen om er een krans of bos van te maken, die de huizen zou beschermen voor ongeluk en bliksem.

Johanneskruid wordt nog steeds gebruikt in de homeopathie om depressies tegen te gaan.

Al in de Oudheid werd het Sint Janskruid gebruikt voor het verzorgen van wonden.

In de Middeleeuwen gebruikte men Johanneskruid om de duivel mee te verjagen.

Het verhaal ging dat de duivel het plantje ooit met zijn nagels heeft willen doorboren, in de hoop dat het plantje dood zou gaan. De nagels van de duivel zouden, als je de blaadjes tegen het licht houdt, nog zichtbaar zijn.

Een ander verhaal is dat de plant is ontstaan door het bloed van Johannes de Doper. Sint Jan is Johannes de Doper. Hij leefde rond het jaar nul. Zijn bijnaam de Doper kreeg hij, omdat hij de boodschap verkondigde dat de doop verlossing gaf van alle zonden. Johannes de Doper wordt twee keer per jaar herdacht: op zijn geboortedag 24 juni en op de dag dat hij onthoofd werd: 29 augustus.

Johannes werd onthoofd op last van Herodes Antipas. Johannes had gezegd dat Herodes een affaire zou hebben met Herodias, de vrouw van zijn broer. Johannes werd ter dood gebracht in Perea.

De goudgele bloemen van het Sint Janskruid bevatten zwarte klieren die een rood hartje lijken te vormen. In de zwarte puntjes en streepjes op de bloemstelen, kelk en bloembladeren zit een rode harsachtige stof. Als je nu de zwarte puntjes tussen je vingers fijn wrijft, dan blijft er wat rode hars aan je vingers kleven. Dat zou het bloed zijn dat Johannes de Doper bij zijn onthoofding verloor. En zo komt het plantje aan zijn naam.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (16 juni 2008)

 

Sinds wanneer drinken wij bier? 

bier

De oudste vermelding van bier (gruitbier) dateert in de Nederlanden uit de dertiende eeuw.  Deze vermelding komt uit Gent (1236). In een Dordrechts archiefstuk uit 1286 staat de oudste regel tekst met het woord bier: bire.

Het brouwen van bier is ouder. Ook in de oudheid (Mesopotamië, Romeinen) was een soort gerstenat bekend, maar toen werd bier een inferieure drank gevonden.

In kloosters en aan hoven zijn aanwijzingen gevonden dat rond de tijd van Karel de Grote al bier gemaakt werd. Op ontwerptekeningen van het klooster Sankt Gallen in Zwitserland zijn drie brouwerijen te onderscheiden. De brouwerijen bevonden zich in de nabijheid van de keukens.

Bier wordt gemaakt van gekiemd gerst (mout) dat door koken en gisten en door toevoeging van smaakstoffen (gruit of hop) tot een licht alcoholische drank wordt gebrouwen.

Tot 1400 was al het bier dat in Nederland gemaakt werd gruitbier. Daarna werd hop de smaakmaker. Dit had verband met het ontstaan van steden en de groei van de bevolking. Naast kloosters met brouwerijen ontstonden ook gewone brouwerijen om de vraag naar bier te kunnen voldoen. Het recept voor hopbier zou uit Hamburg komen waar het rond 1300 ontwikkeld is.

In de zestiende en zeventiende eeuw stond de bierproductie in de republiek op hoog niveau. Met name steden als Haarlem, Delft, Rotterdam, Gouda en Utrecht hadden hun welvaart voor een deel te danken aan de bierbrouwerijen.

Buitenlandse bezoekers merkten ook op dat de dorst van de Nederlanders groot was. Men verbaasde zich over de hoeveelheden bier die hier gedronken werden.

Op dit moment wordt bijna uitsluitend pils gedronken. Ongeveer 80 % van het in Nederland gedronken bier is pils (5% alcohol), een uitvinding van de Duitser Joseph Groll in de de Tsjechische stad Pilsen. De heldere drank werd aantrekkelijker gevonden dan het troebele bier dat toen nog gebruikelijk was.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (9 juni 2008)

 

Sinds wanneer is het Wilhelmus ons volkslied? 

Het Wilhelmus is pas vanaf 1932 ons officiële volkslied.

Tot 1932 was dat Wiens Neerlands Bloed.
Dit lied is speciaal geschreven ter gelegenheid van de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815. Wiens Neerlands Bloed in dáad’ren vloeit, van vreemde smetten vrij was een vers van H. Tollens. In onze multiculturele samenleving past deze tekst niet goed meer.

Het Wilhelmus werd al wel bij plechtige momenten gebruikt.
Zo werd bij de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in 1898 het Wilhelmus gespeeld en niet Wiens Neerlands Bloed. In 1932 besloot de ministerraad dat het Wilhelmus voortaan het officiële volkslied zou zijn.

Het Wilhelmus bestaat uit 15 coupletten.
In de oude variant vormen de eerste letters van elk couplet de naam: Willem van Nassov.

De melodie van het Wilhelmus is iets ouder dan de tekst. Het zou afstammen van een Frans soldatenliedje dat populair was rond 1568.
Wie de tekst gemaakt heeft, is niet helemaal zeker. Deze wordt toegeschreven aan Marnix van St Aldegonde die de tekst tussen 1570 en 1572 zou hebben geschreven in Oost-Souburg. Marnix was dichter en vriend van Willem van Oranje. Maar het kan ook een onbekende dichter zijn geweest die het Wilhelmus gemaakt heeft, waarna Marnix het heeft bewerkt.

Ineke Strouken, RTV Utrecht (2 juni 2008)

 

Sinds wanneer draagt het Nederlands elftal een oranje shirt? 

voetbal

Oranje is onze nationale kleur. Dat komt omdat Willem van Oranje – de vader des vaderlands – ooit het prinsdom Orange in Frankrijk erfde. Daarom speelt het Nederlands elftal in de kleur oranje.

De eerste interland wedstrijd waarbij het elftal van Nederland in een witte broek en oranje shirt aantrad was op 14 april 1907 in een uitwedstrijd tegen België. De interlands waren vriendschappelijke wedstrijden. Er bestonden toen nog geen europese en wereldkampioenschappen. Later heeft het elftal ook in andere kleuren gespeeld.

De benaming Oranje voor het Nederlands elftal dateert uit de jaren zeventig van de twintigste eeuw. In 1974 bereikte Oranje de finale van het wereldkampioenschap in Duitsland. Na terugkomst kopte Het Parool op 9 juli 1974: ‘Enthousiast onthaal Oranje’.

In het fotoartikel wordt een beeld gegeven van de hulde op het Leidseplein, de ontvangst op het Catshuis en het bezoek aan koningin Juliana op Huis ten Bosch.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (26 mei 2008)

 

Wat is ons oudste voetballied? 

voetbal

Het oudste voetballied dateert uit 1934. Het is niet `Hup, Holland, Hup, maar ‘We gaan naar Rome’.

Echter in Rome is het elftal nooit geweest. Na één wedstrijd in Milaan was het toernooi bekeken en konden de spelers terug naar Nederland. Nederland verloor namelijk met 3-1 van Zwitserland. Dit voetballied is geschreven door ene Ferry, ook bekend onder de naam C.J.T. van Delden.

De eerste versie van ‘We gaan naar Rome’ werd gezongen door Willy Derby. Ondanks de tegenvallende resultaten werd het een voetbalevergreen.

In 1974 kwalificeerde Oranje zich voor het wereldkampioenschap in Duitsland en toen werd de titel ‘We gaan naar München', want een liedje kun je natuurlijk makkelijk aanpassen aan de situatie. Deze versie werd op de plaat gezet door scheidsrechter Frans Derks.

In 1971 had Willy Alberti een klein succes met 'We gaan naar Londen'. Ajax speelde daar de finale van de Europacup.

De laatste artiest die dit lied, met het Nederlands elftal, op de plaat zette was André van Duin in 1980. De plaat stond acht weken in de top veertig en behaalde uiteindelijk een tweede plaats.

We gaan naar Rome (1934):

We gaan naar Rome, we gaan naar Rome
En Vente neemt zijn kanjers mee
We gaan naar Rome, we gaan naar Rome
Bep Bakhuys doelpunt daar voor twee.
En Mijnders, Wels, Van Heel en Smit,
Die roepen om de beurt: Hij zit!
Als ferme jongens, als beste jongens,
Hollands jongens van Jan de Witt.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (19 mei 2008)

Foto: Nederlands Elftal in 1934

 

Wat wordt er gezongen tijdens voetbalwedstrijden? 

Tijdens voetbalwedstrijden wordt er gezongen: `Wij gaan naar Rome', `Hup Holland Hup' en `Wij houden van Oranje'.

De tekst van Hup Holland Hup werd geschreven door Jan de Cler (1915-) en op muziek gezet door Dico van der Meer. Dat was heel knap, want De Cler maakte tijdens de wedstrijd een soort liedverslag. Tijdens de pauze zong hij over de eerste helft en na afloop van de wedstrijd over de tweede helft van de wedstrijd. Nog steeds wordt het refrein door oranjefans gezongen bij wedstrijden van het Nederlands elftal:

‘Hup Holland hup
Laat de leeuw niet in zijn hempie staan
Hup Holland hup
Trek het beessie geen pantoffels aan
Hup Holland hup
Laat je uit het veld niet slaan
Want een leeuw op voetbalschoenen
Kan de hele wereld aan.’

Sommige mensen denken dat wij het liedje 'Wij houden van Oranje' al zongen tijdens het WK van 1974 in Duitsland. Maar dit is niet zo, want het bestond toen nog niet. In 1988 werd Nederland Europees kampioen en André Hazes zong toen:

 ‘Nederland oh Nederland
Jij bent de kampioen
Wij houden van Oranje
Om zijn daden en zijn doen.'

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (19 mei 2008)

 

Wanneer ontstond moederdag? 

moederdag

Moederdag in de huidige vorm ontstond in de Verenigde Staten in de twintigste eeuw. Initiatiefneemster was de vrouwenactiviste en lerares Anna Jarvis (1864-1948). Deze herdacht elk jaar de sterfdag van haar moeder op 9 mei.

Anna Jarvis ijverde vanaf 1907 voor de invoering van een speciale dag voor moeders, de General Memorial day of all Mothers. Op 8 mei 1914 bekrachtigde president Woodrow Wilson het besluit van het parlement om moederdag in te voeren op de tweede zondag van mei. Door het commerciële succes van de viering besloot men in 1936 ook een Fathers day in te voeren. Deze dag valt op de derde zondag van juni.

Om de omzet te verhogen voerde de Algemeene Banketbakkersvereeniging in Nederland in de jaren dertig van de vorige eeuw een reclamecampagne onder meer op de radio om het vieren van moederdag met gebak te propageren. Ook werd een speciale moederdag-langspeelplaat uitgebracht. Deze propaganda had tot gevolg dat in de loop van de jaren dertig het feest in heel Nederland werd ingevoerd.

Aanvankelijk werd moederdag op 20 mei gevierd, maar vanaf 1931 werd gekozen voor de tweede zondag in mei. Dat is namelijk de datum waarop het feest in Amerika wordt gevierd. De datum van 20 mei kwam in 1926 uit de koker van de Koninklijke Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde. De bloemenhandelaars hadden, net als de banketbakkers, natuurlijk een direct commercieel belang bij de invoering van het feest.

Foto: Anna Jarvis

Ineke Strouken, RTV Utrecht (12 mei 2006)

 

Wat is luilak voor feest? 

luilak

Luilak was in de zestiende en zeventiende eeuw een ruw feest, waarbij jongelui en volwassenen met elkaar in de slag gingen op pleinen en op bruggen. In die tijd probeerden de stadbestuurders van Amsterdam het luilakvieren al onder controle te krijgen.

Het luilakken begon op vrijdag voor Eerste Pinksterdag en duurde de hele zaterdag volgens de Amsterdamse kroniekschrijver Jan ter Gouw. De jongens en mannen leverden bewapend met stokken en vendels op bruggen en pleinen slag met elkaar. Vechten dus.
In het Amsterdamse archief zijn twee keuren over dit luilakgeweld. In onder andere een keur van 22 mei 1597 en een van 5 april 1600 probeerden de stadsbestuurders de vechtende jongelui in toom te houden.

Nog steeds wordt Luilak gevierd op veel plaatsen in Noord-Holland. Kinderen rijden al heel vroeg door de straten met blikken achter de fiets en de harmonie en fanfare mag ’s morgens iedereen een serenade maken.

Luilak was bedoeld om langslapers wakker te maken. Het is een volksgericht. In deze tijd moet er hard gewerkt worden op het land. Doe je dat niet dan kun je straks niet oogsten en heb je honger in de winter. Dus word je gestraft.

Langslapers en luilakken worden gestraft door ze openlijk te schande te maken.
In Haarlem werden de luilakken volgehangen met kliskruid of klissen. Dat waren groene slierten die door de haakjes aan de plant op de kleding bleven zitten. Met deze tooi werd de luilak door de stad gevoerd. Na de rondgang werd de 'klissenboer' in het water gesmeten.

In de Zaanstreek werd de luilak op een karretje, 'de korrie' rondgereden. Deze was voorzien van een laag brandnetels waar het slachtoffer op moest plaatsnemen. Om de aandacht te trekken was de korrie ook voorzien van een lang lint met blikken, deksels en oud ijzer.

Dienstbodes en huisvrouwen werden getrakteerd op extra werk. Tegenwoordig worden nog steeds ruiten beschreven met zeep of boter. Vroeger hing men aan de deurklink het liefst een rottend lijk van een rat, varken, hond of kat.

Langslapers moesten met luilak trakteren op iets lekkers. Wie het laatste op het werk verscheen, gaf als traktatie een borrel. Vaak deelde de luilak ook luilakbollen uit. Een luilakbol was een lekkernij die eruit zag als een rond witbroodje gevuld met stroop. 

Ineke Strouken, Radio Noord-Holland (5 mei 2008)

Foto: Luilak Zaandam (1947)

 

Hoe maak je luilakbollen? 

Langslapers moesten met luilak trakteren op iets lekkers. Wie het laatste op het werk verscheen, gaf als traktatie een borrel. Vaak deelde de luilak ook luilakbollen uit. Een luilakbol was een lekkernij die eruit zag als een rond witbroodje gevuld met stroop.

Recept

Benodigdheden:
- 250 bloem
- 20 gram gist
- 1 1/2 dl lauwe melk
- 1/2 eetlepel zout
- geraspte citroenschil
- 60 gram gesmolten boter
- 100 gram rozijnen
- 10 gram krenten
- 1 losgeklopt ei
- stroop
- bruine suiker

Maak het gist aan met een beetje melk. Kneed daarna de bloem, zout, gistmengsel, boter en melk tot een deegbal. Laat dat op een warme tochtvrije plaats een uur rijzen.
Meng daarna de rozijnen, krenten en de geraspte citroenschil door het deeg. Vorm er bolletjes van en leg deze bolletjes op een bakplaat. Laat de oven even lauw worden en zet hem daarna uit of bijna uit. Schuif de bakplaat in de oven en laat de bolletjes ongeveer 30 minuten narijzen. Bestrijk de luilakbollen met wat eiwit en bak ze in ongeveer 20 minuten tot een half uur gaar en bruin. Dien ze warm op met stroop of met boter en bruine suiker.

Meer informatie:
I. Strouken, 'Alledaagse dingen', in: Traditie, tijdschrift over tradities en trends, jaargang 3, nr. 1 (1997)

 

Wie heeft koninginnedag bedacht? 

koninginnedagHet was een Utrechter die koninginnedag heeft bedacht: J.W. Gerlach (1831-1906). Hij wilde het koningshuis inzetten als symbool voor de nationale eenheid.

In de tweede helft van de negentiende eeuw was Nederland sterk verdeeld.
Traditioneel waren er de tegenstellingen tussen katholieken en protestanten. Nu kwam daar de tegenstelling tussen liberalen en socialisten bij.

Bovendien was de macht en het aanzien van het koningshuis sterk aan het tanen. De feitelijke macht liep terug. Koning Willem I besliste veel zelf, hij was een verlicht despoot. De revolutionaire grondwetswijziging van 1848 beperkte de macht van de koning en legde de basis voor onze huidige parlementaire democratie. De koning was niet langer verantwoordelijk, maar de ministers. De Tweede Kamer kreeg meer invloed en werd voortaan ook door een select gezelschap rechtstreeks gekozen. Het Koningshuis kreeg een symbolische betekenis. De koning moest de nationale eenheid verbeelden.

Gerlach was hoofdredacteur van het Utrechts Provinciaal en Stedelijk Dagblad en lanceerde in 1885 het idee om een nationale feestdag in te stellen met kroonprinses Wilhelmina als middelpunt. Aldus geschiedde. Vanaf die dag werd er elk jaar een Prinsessendag gehouden.Toen Wilhelmina in 1898 tot koningin werd gekroond, werd die dag voortaan Koninginnedag genoemd.

Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (28 april 2008)
 

Wat is oranjebitter op Koninginnedag voor drank? 

koninginnedag

Het Oranje Fonds – waar Prinses Maxima beschermvrouwe van is - kent sinds 2003 jaarlijks de Appeltjes van Oranje, toe.  Het doel is het stimuleren van het maatschappelijk welzijn en de sociale cohesie. De prijs is een bronzen Appeltje van Oranje, gemaakt door Koningin Beatrix en een geldbedrag.

Deze appeltjes zijn geen appeltjes, maar zijn citrusvruchten. De echte oorspronkelijk appeltjes komen van de Oranjeboom: de Citrus Communis Risso. 
Het waren geen hand- of perssinaasappels, zoals wij die kennen, maar een zuur-bittere variant. Niet echt lekker om zo te eten. De vruchten werden dan ook alleen gekonfijt gegeten en ook gebruikt als smaakstof voor zogenaamde bitters, drankjes in oorsprong gebruikt als medicijn.

In de 16e eeuw zijn appeltjes van Oranje al bekend. In de oudste vermelding in 1573 staat: aranie(n)appel.

Waarom heette deze sinaasappels dan appels? Dat komt door de vorm. De sinaasappeltjes lijken een beetje op een appel. De kleur was ook niet oranje, maar licht tot donker geel.

In de 18e eeuw maakte men al verschil tussen een echte sinaasappel, zoals wij die kennen en een oranjeappel. Bedenk dat sinaasappels toen nauwelijks gegeten werden. Het waren kostbaarheden die alleen door de hele rijken te koop waren, of te telen in zogenaamde oranjerieën, kassen.

In 1771 schreef een zekere C.M. Chomel in zijn Algemeen huishoudelijk-, natuur-, zedekundig-, en konst-woordenboek:
 ‘De China-appel (…) is een zeer aangenaame vrugt, in tegenstelling van de gemeene bittere Oranje-appel’

Aanvankelijk maakte men van de vruchten een sterk aftreksel en daar deed men alcohol bij. Dat werd gedronken als medicijn, onder andere tegen scheurbuik. Er zat dus blijkbaar vitamine C in.

In de tweede helft van de 19e eeuw werd het een gezelligheidsdrankje, dat onder andere gedronken werd bij feestdagen rond het koninklijk huis. Maar in die tijd voegde men veel suiker toe, daardoor werd het veel lekkerder.

De term Appeltjes van Oranje is sterk gepopulariseerd na de Tweede Wereldoorlog door het lied van Max van Praag (tekst van Eddy Christiani). Zijn lied ‘daar zijn de appeltjes van Oranje weer’ is nog steeds een bekend liedje.
 
Ineke Strouken, RTV Noord-Holland (21 april 2008)